vrijdag 28 november 2014

AMSTERDAM STAD OP PALEN.




Iets wat veel bezoekers van onze hoofdstad, Amsterdam, zich niet realiseren, is dat de panden welke ze lopen te bekijken op palen zijn gebouwd. Het gebeurde reeds in de helft van de 13e eeuw toen de eerste stenen bouwwerken werden gebouwd. Zelfs nu in de 21 ste eeuw worden de bouwwerken op palen gebouwd. Vroeger waren dit houten palen en nu zijn ze van beton. 

PAALWONINGEN.



Als we spreken over paalwoningen, dan gaan onze eerste gedachten uit naar tropische landen, waar deze woningen zijn gebouwd op palen aan de oever van een rivier, de zeekust en in moerasachtige gebieden.
Ze bouwen deze woningen op palen om droog te blijven bij hoog water. maar ook omdat ze geen geld hebben om grond te bezitten om een woonhuis op te bouwen.



Maar we realiseren ons niet dat in ons eigen land miljoenen bouwwerken en huizen op palen zijn gebouwd. Een voorbeeld hiervan is nog  in Marken te vinden, waar het achterste deel van de woning  duidelijk zichtbaar op palen staat en de voorzijde aan de dijk grenst. Ook hier om bij hoog water door storm droog te blijven.
Maar bij het overige merendeel van de woningen welke op palen zijn gebouwd in ons land zijn de palen niet zichtbaar daar ze onder het grondoppervlak liggen.


De eerste woningen welke werden gebouwd in het drassige en moerasachtige gebied in het westen van ons land waren opgetrokken van hout. Men sloeg in principe een paar palen in de grond en bevestigde daaraan de gevels en daarop het dak.. Toen de tijd kwam dat men baksteen ging gebruiken ontdekte men al snel dat deze zwaardere vorm van bouw in de bodem wegzakte, daar de ondergrond geen draagvlak had, met tot gevolg dat de muren scheurden in omvielen.
Zo werd voor de bouw van kerken en verdedigingswerken, zoals stadspoorten, in de grond een draagconstructie aangebracht.


DE ONDERGROND EN HET  VERSTEVIGEN VAN DE FUNDATIE.

De grond waarop in het westen van ons land steden werden gebouwd, en zo ook die van Amsterdam, bestaat uit drie bestanddelen: veen, zand en klei.
In vroegere tijden toen ons land meer water was dan land word door de zee deze kleilagen achtergelaten. Het zand en fijn grint werden door de grote rivieren zoals de Rijn en de Maas aangevoerd,en ook door kleinere rivieren, die in die tijd een geheel ander stroom gebied hadden dan tegenwoordig. 
Het aangevoerde zand en grint bezonk in de door deze rivieren gevormde delta's. De veenlagen zijn de overblijfselen van de moerassen welke achter de duinen lagen welke door het achtergebleven zand dat de zee deed aanspoelen en werd opgestoven door de wind ontstonden. Deze duinen sloten gebieden af van de zee waardoor en een soort binnenzeeën ontstonden. Dit proces ging eeuwen zo door en zijn zo verantwoordelijk voor het ontstaan van de bodemgesteldheid. Zo bevinden zich sommige zandlagen los van elkaar op dieptes van 12 tot 20 meter. Later zouden veel van deze gebieden door het aanleggen van dijken en het droog bemalen met behulp van windmolens bouwrijp gemaakt worden, maar de bodem gesteldheid veranderde niet. In sommige gebieden verhoogde men de bouwplaats en bouwde men op de zo ontstane terpen.


Om de draagconstructie te verbeteren maakte men tot rond 1275 daarvoor een draagvlot, bestaande uit dwarsliggende paaltjes met daaroverheen , in de lengte richting van de muren, lange palen.
Het "drijvende'karakter hiervan was de reden om in de 14e eeuw onder het vlot en dicht tegen elkaar aan de slechts twee of enige palen meer in de bodem te heien.
Deze palen bereikten  reikten echter nog niet tot de vastere zandlaag in de bodem, maar door het heien werd in zekere mate een grondverdichting verkregen. Later verfijnde men de afwerking hiervan door op de bovenkant van het vlot dikke planken te plaatsen.
Aan het einde van de 14e eeuw ontstond er een verbetering. Deze bestond uit het heien van palen tussen een roosterwerk van aan elkaar bevestigde, door nagelen, van ronde eikenstammen in de lengterichting. Hierop werden op bepaalde afstanden van elkaar korte dwarsliggende stukken rondhout geplaatst. 


In het begin van de 16e eeuw en tot na de 17e eeuw maakte men roosters van behakte ribben, welke met een zwaluwstaart verbinding in elkaar werden zet. In de ontstane vakken werden dan de palen van verschilde lengte geheid
Zo ontdekte men dan ook langzamerhand dat de palen welke tot op de onderliggende zandlaag werden geheid een beter draagvlak boden dat een hele serie palen vlak naast elkaar op een ondiepere laag.
Het koppelen van deze en zodoende verder uit elkaar staande palen leidde vanaf de 17e eeuw naar het alom gebruikelijke Amsterdamse funderingsmethode. Zo staan de meeste huizen in de binnenstad van Amsterdam, afhankelijk van hun ouderdom, op de eerste zandlaag. De grotere gebouwen zoals de kerken en het paleis op de Dam staan op de tweede dieper gelegen zandlaag.
Veel bouwplaatsen werden ook verstevigd met het puin van oude panden en zand en andere materialen die uit de grachten werden gebaggerd.
Voor de grote uitbreiding van de stad in de 17e eeuw was veel zand nodig en dit werd in het begin aangevoerd vanaf de duinen, waarmee men eigenlijk de kustbewaking ondermijnde. Pas na de Tweede Wereldoorlog werd met behulp van zandzuigers uit het IJsselmeer en de Noordzee zand naar de stad aangevoerd.


HET HEIEN VAN DE PALEN VROEGER.

Het "heien" is het in de grond slaan van lange palen met behulp van een heiblok. Aan het principe is door de eeuwen heen weinig verandert, alleen gebeurde het vroeger met de mankracht, dit maakte weer plaats voor machinale kracht door de opkomst van de stoommachine en tegenwoordig worden de palen de grond pneumatisch door trillen in de grond geplaatst.

De gehele hei-installatie wordt geschraagd door een gevormde drievoet, waartussen twee palen verticaal (leiders) naast elkaar werden opgesteld  . Het geheel werd met touwen (tuien) vastgezet tegen omvallen. Het heiblok werd aan een zwaar touw bevestigd, wat door een katrol (rammelschijf) liep wat boven in de hei-stelling was geplaatst.
Het andere einde van het zware touw was gesplitst in zo'n 30 tot 40 afzonderlijke touwen, waaraan het uiteinde een werkman was geplaatst.
Door gelijkertijd aan het touw te trekken waren de werklieden in staat om het heiblok, wat een gewicht van rond de 500 kilo kon hebben, op te trekken tot boven de in de grond te heien paal. Op een teken van de heibaas lieten ze dan gelijktijdig het touw los, waardoor het heiblok naar beneden viel en met volle kracht op de in de grond te heien kop van de paal terecht kwam.  


( rechts een heiblok zoals in die tijd gebruikt.)

Tijdens het heien werd er door de mannen een lied gezongen met korte regels wat het tempo aangaf van de zware arbeid. 

In het begin zal men het niet te nauw hebben genomen met de afstand tussen de in de grond geheide palen. Het was dus vaak gewoon de proef op de som nemen. Verder was het afhankelijk hoeveel geld er voor de bouw beschikbaar was en kon men extra palen in de grond heien.
Maar ook in die tijd bestond er een vorm van bouwfraude en kon de aannemer zijn kosten aardig drukken door een heipalen paar te vervangen door één enkele heipaal en hierop snel de fundatie plaat aan te brengen zodat dit niet zou opvallen.


HET GRONDWATERPEIL.



Het was van groot belang om tijdens de werkzaamheden de grondwaterspiegel laag te houden. Dit om de toegang van de bouwplaats veilig te stellen, maar vooral omdat de in de grond geheide palen onder het grondwaterpeil moesten worden afgezaagd op die hoogte dat de gehele houten onder fundering later onderwater zou komen te staan zodat het niet aan zuurstof bloot zou komen te staan en het rottingsprobleem geminimaliseerd zou zijn.
Eén van de problemen bij de bouw was het dus laag houden van het grondwater in de bouwput totdat de fundering klaar was. Bij kleine projecten werd dat gedaan met een of meerder handpompen welke in die tijd ook op de zeilschepen werden gebruikt om water uit het ruim te pompen. Deze pompen werden met de hand bedient.
1. Het pomphuis.
2. De pompzuiger of de pompemmer.
                        3 . De zwengel om de pompzuiger- of emmer op- en neer te bewegen.
Vermoedelijk werden bij grote projecten om het grondwaterpeil laag te houden gebruik gemaakt van windmolens.


DE FUNDERING VOOR DE BOUW.



Zo werden op vastgestelde afstanden langs lijnen waar de muren van het pand zouden komen te staan palen in de grond geheid. Dit gebeurde twee aan twee. Vaak plaatste men in het midden nog een extra enkele paal ter versteviging.
Even beneden het grondwaterpeil werden de palen afgezaagd, waarna een korte plank (kesp) over de uiteinden van de twee palen werd gelegd en daarop bevestigd. Vervolgens werden daar weer twee lange palen overheen gelegd in de zelfde richting als de te bouwen muur.
Tussen deze twee planken werd een balk geschoven die boven de twee planken uitstak. Dit 'schuifstuk' moet verhinderen dat het metselwerk zijdelings van zijn houten basis af zou glijden.
Was het metselwerk boven de grondhoogte en droog dan liet men het grondwater weer tot normale hoogte stijgen en dempte men de bouwput. Hierna kon men pas verder gaan met de bouw en het aanbrengen van de eerste vloerbalken.
Het is en blijft dus van het grootste belang voor een stad als Amsterdam dat het grondwaterpeil niet te laag en ook niet te hoog is, daar verrotting de meest voorkomende oorzaak is van funderingsproblemen.
Een bovengronds rottingsprobleem wordt veelal veroorzaak door het vocht in de muren, wat de vloerbalken doet wegrotten. Men bouwde in die tijd nog geen panden met een spouwmuur.
Voor de restauratie van panden met fundering problemen worden om deze te behouden speciale technieken toepast, waardoor ze uiteindelijk op betonnen palen komen te staan.


Ook de oude binnenstad Rotterdam was op palen gebouwd en het was opmerkelijk dat beide steden een verschillend soort van paalfundering gebruikten.

Het heien van palen, tegenwoordig van beton, wordt nu bijna bij al de grote bouwwerken gedaan als de ondergrond niet stabiel is, of het nu een kantoorgebouw is met 20 verdiepingen of de aanleg van een verkeer- of metrotunnel.

donderdag 27 november 2014

GRACHTENPANDENGEVELS VAN AMSTERDAM. (DEEL 4)

HET HUIS MET DE HOOFDEN.

Tot een van de architectonische gevels behoort de rijk versierde gevel van het pand genaamd "Huis met de Hoofden" aan de Keizersgracht nummer 123.

Vergeleken met andere panden in de stad Amsterdam is dit een vrij breed pand. Het werd in 1622 gebouwd in opdracht van de rijke en kunstminnende koopman Nicolaas Sohier, welke leefde van 1590 tot 1642.
Over de architect welke het pand zou hebben ontworpen zijn geen schriftelijke overleveringen, maar algemeen wordt het ontwerp toegeschreven aan de beeldhouwer en architect Hendrick Keyser (1565-1621), maar ook de naam van zijn zoon die hem opvolgde Pieter de Keyser (1595-1664) wordt vaak genoemd. 

Het "Huis met de Hoofden" is een dubbel pand met een symmetrisch ingedeelde voorgevel met de hoofdingang in het midden.
De gevel dateert uit de tijd van de Hollandse Renaissance en is opgetrokken uit kleine rode bakstenen. Een veel gebruikte baksteen van 18 cm. lengte en een dikte van 3,8 cm. bij de bouw van woningen aan de Keizersgracht. De trapgevel is bevestigd aan een insnijdend dak aan het dwarsdak van de eerste beuk van het huis, waar een tweede beuk, het zijhuis achterligt. Als rijke decoratie voor de gevel is de roomkleurige Bentheimer zandsteen gebruikt, waarvan de banden, blokjes, klauwstukken, vazen, obelisken, leeuwenkoppen en de een gebroken segmentvormig fronton zijn gemaakt.
De muurdammen van de hoofdverdieping zijn uitgevoerd als brede pilasters en zijn fraai gedecoreerd. Daarboven bevinden zich dubbele pilasters. Een balustrade aan beide zijden van de trapgevel onttrekt een deel van het dak aan het oog.
Aam beide zijden van de hoofdingang en op de band van de pilasters zijn zes hoofden geplaatst welke uit Bentheimer zandsteen zijn vervaardigd.


VAN WIE ZIJN DEZE HOOFDEN ?

Zoals bij vele panden in de stad heeft ook dit pand zijn legende. De zes hoofden zouden hebben toebehoord aan zes rovers die het huis binnen vielen om de rijkdom te roven. Helaas bleek de keukenmeid m,eer mans dan de rovers verwachten en onthoofde deze al de zes rovers met een keukenmes. Ter afschrikking zouden de hoofden, nagemaakt uit zandsteen. aan de gevel zijn geplaatst.

Bij een nader onderzoek is gebleken dat we hier niet moeten spreken van hoofden, maar van borstbeelden.
Het is de borstbeelden van oude Romeinse goden.


Van links naar rechts: De god Apollo gesierd met een laurierkrans, de god van de kunsten, Ceres gesierd met een krans van rijpe korenaren, de god van de landbouw, Mercurius met een gevleugelde helm, de god van de handel, Minerva met een helm, de god van de wijsheid. Bacchus gesierd met druiventrossen, de god van drank en plezier, en Diana gesierd met een halve maan, de godin van de jacht.
Via deze attributen wist men de juiste voorstelling van de borstbeelden te achterhalen.

De goden Mercurius en Minerva werden vaker op rijke koopmanshuizen afgebeeld. Het was vaak een verwijzing van de bewoner naar zijn beroep wat hij op die manier gesymboliseerd wilde zien. Zo werd dan Mercurius afgebeeld als personificatie van de handel. Op sommige panden wordt hiervoor ook vaak de zeegod Neptunus gebruikt als personificatie van de handel over zee.
Wenste de bewoner te laten blijken dat hij ook een groot liefhebber was van kunst en wijsheid dam werd Minerva als personificatie daarvan gebruikt.
De plaatsing van deze borstbeelden, het mannelijke borstbeeld van Mercurius, links van de hoofdingang en het vrouwelijke borstbeeld van Minerva, rechts van de hoofdingang, hangt samen met de heraldische traditie om het familie wapen van de man links te plaatsen van dat van de vrouw, dit gezien staande voor de ingang.
Bij beide borstbeelden zijn cartouches te zien waarin een dergelijk familiewapen kon worden afgebeeld.

maandag 24 november 2014

GRACHTENPANDENGEVELS VAN AMSTERDAM. (DEEL 3)

DE GEVELS VAN DE GRACHTENPANDEN. [2]

HALSGEVELS. (1640-1775).

De eerste halsgevel welke in Amsterdam werd gebouwd was een ontwerp van Philip Vingboons.
De halsgevel behoort tot het Hollands classicisme en is typisch Amsterdams..
De halsgevel is ontstaan uit de trapgevel en wordt gekenmerkt door twee hoeken van 90 graden. welke worden opgevuld met zandstenen klauwstukken.






De halsgevel wordt gekenmerkt door zijn versieringen. De klauwstukken zijn vaak voorzien van bloemen en fruit motieven evenals het fronton boven op de hals van de gevel.
De klauwstukken werden verder versierd met pinakels, voorstellende een vaas eb rond de hijsbalk werd vaal een cartouche aangebracht.
Sommige gevels werden versierd rond de vensters met slingers van bloemen of fruit, de zogenaamde festoenen.
Later werden er menselijke figuren uit de mythologie aan toegevoegd. Bij sommige panden kon het niet gek genoeg zijn.




DE VERHOOGDE HALSGEVEL. (1640-1670).

De verhoogde halsgevel wordt ook wel gezien als een overgang van een trapgevel naar de halsgevel.
Het is ook een product van de Hollandse classicisme welke haar bloeiperiode kende in de periode van 1640 tot 1670.
Het aantal treden is beperkt tot twee.
Ook deze gevel heeft aan beide zijden twee hoeken van 90 graden welke zijn opgevuld met zandstenen klauwstukken.
De 17e eeuwse verhoogde halsgevel herkent men vaak aan het driehoekige fronton op de top.


Opvallend hier is dat naast het bovenste raam of luik dikwijls  de zogenaamde 'oeils-de-boeuf'
( koeienogen) zijn aangebracht.
Vaak zij de gevels voorzien van pilasters, een platte zuil die op de voorgevel iets vooruitsteekt naast de vensters en een constructieve functie heeft. Deze pilaster werden vaak versierd met Dorische, Ionische of Korintische elementen. De verhoogde halsgevels zijn slecht een korte periode gebouwd vergeleken met de gewone halsgevels.


                                         ( Een halsgevel en verhoogde halsgevel naast elkaar.)

DE KLOKGEVELS. (1660-1790).

De klokgevel wordt ook wel de 'ingezwenkte halsgevel' genoemd. Het is de overgang van de druk bewerkte halsgevel onder de invloed van het sobere classicisme. 
Aan de klokgevel ontbreken dus de hoeken van 90 graden.
We onderscheiden twee soorten van klokgevels; de gevel met de klokvorm met ronde naar binnen gebogen zijden en de gevel waarvan de zijden bijna recht recht zijn.





Een ander verschil is de afwerking van de de bovenzijde. Bij de een is deze afgerond en de andere is deze recht.
De klokgevel is ontstaan uit de halsgevel door de klauwstukken in het zelfde materiaal uit te voeren als de rest van de gevel. Dit gebeurde onder de invloed van het sobere classicisme waarin de vlakke gevel aan populariteit wint.
In de 18e eeuw zijn de de klokgevels hoger en minder eenvoudig dan in de 17e eeuw. De zwenking wordt minder sterker en soms zwenkt de holle lijn boven weer even naar buiten.
De klokgevels uit de 18e eeuw zijn een stuk hoger en werd vaak afgewerkt met zandstenen aanzetstukken en een kuif in de Lodewijk XV-stijl. 
Klokgevels in de Lodewijk XIV- en XV- stijlen worden ook vaak bekroond met een siervaas.



In de 19e eeuw treedt de versobering van de klokgevelachtige vorm en zien ze er uit als verminkte toppen.


VERHOOGDE LIJSTGEVELS. (1700-1775).

Voor het uit het zicht houden van het puntdak is bij gewone huizen een een topgevel nodig, omdat de nok van het dak loodrecht op de gracht staat.
Bij de verhoogde lijstgevel wordt de kroonlijst omhoog gebogen om het puntdak aan het oog te onttrekken.










Tevens werd dit ook gedaan om ruimte te kamen voor een vlieringluik waardoor men gemakkelijker bij de hijsbalk kon komen.
Bij het aanbrengen van deze verhoogde lijstgevels plaatste men vaak sierlijke consoles als ondersteuning.

( Op de linker afbeelding gaat achte de verhoogde lijstgevel een 'Mansarde kap' schuil, want een dak in een geknikte vorm en vernoemd is naar de Franse architect Mansarde. Toegepast einde 19e eeuw.)



Een andere vorm van een verhoogde lijstgevel is de open balustrade met een gesloten midden verhoging waarin vaak een soort gevelsteen wordt afgebeeld (boven een wijnvat).
Men kende zes verschillende lijstgevel soorten:
1: De kleine halfcirkelvormige verhoging.
2: Een trapezium verhoging.
3: Attiek of attiekvormige versiering bovenop de halfcirkelvormige verhoging
4: De open balustrade met gesloten midden verhoging.
5: De topgevelachtige verhoging
6: Een sterk getoogde lijst.

LIJSTGEVELS IN DE VERDERE PERIODE.

Lijstgevels werden in de 17e en 18e eeuw, maar vooral in de 19e eeuw gebouwd.  
Na rond 1790 werden er geen tuit-, hals-, en klokgevels meer gebouwd. Er treedt een duidelijke versobering op in de archtectuur.
Het fraaie en zeer drukke beeldhouwwerk, waar het gilde van de steenhouwers voor zorgde, blijft op de geveltoppen achterwege.
De vaak nog ronde ramen in de verhoging tussen de consoles worden rechthoekig. 


PILASTERGEVELS.(1640-1770).

Een pilaster is een platte zuil, die op de voorgevel iets uitsteekt. Deze zuil kan zowel een decoratieve als een constructieve funktie hebben.

Pilastergevels kwamen vooral voor in de periode van 1640 tot 1660.
Het was vaak een overgang van de trapgevel naar de halsgevel.
Door de pilasters kwamen de vensters in verdiepte nissen te liggen.
Ook bij de bij van dubbele huizen of drie huizen onder één dak met een gezamenlijke gevel werden de pilaster steunen toegepast.
Deze woonhuizen met hun brede gevel werden aan de dakrand meestal opgesierd met een 'Timpaan', een driehoekige versiering aan de top.



HET SMALSTE GEVELTJE VAN AMSTERDAM.


Aan de Herengracht ligt weggedrukt tussen twee woonhuizen het smalste geveltje van Amsterdam. Zowaar het pandje zelfs nog twee verdiepingen.

BEELDHOUWWERK SIERENDE GEVELTOPPEN.

Er geen stad elders op de wereld met zoveel beeldhouwwerk in de gevels als in Amsterdam.
Naast gevelversieringen als frontons in verschillende uitvoeringen, festoenen, gebeeldhouwde raampjes, etc etc, treffen we vooral in de geveltoppen veel beeldhouwwerk aan. Dit beeldhouwwerk is gemaakt van zandsteen.
De meeste halsgevels hebben fraaie klauwstukken versierd met menselijke- of dierlijke figuren. De lijstgevels worden vaak beëindigd door een kroonlijst met daarop een attiek met beeldhouwwerk. Het is "openbaar kunstbezit".
Buiten het beeldhouwwerk zijn vaak veel gevels gesierd met een fraaie gevelsteen, wat vaak het visitekaartje is van de bewoner en te zien wat voor ambacht hij uitoefent.

Amsterdam verkennen doe je met het liedje van Sammy in je achterhoofd: "Hoog Sammy kijk omhoog Sammy", want dan zie je pas Amsterdam. 

( Zie vervolg; Grachtenpandengevels van Amsterdam. deel 4.  

donderdag 20 november 2014

GRACHTENPANDENGEVELS VAN AMSTERDAM. (DEEL 2)

DE GEVELS VAN DE GRACHTENPANDEN. [1]


                                                           ( Panden aan de Singel.)

Over het algemeen hebben de meeste grachtenpanden een hoge smalle gevel welke in de top vaak rijk geornamenteerd is. Typisch is dus de topgevel architectuur aan deze panden. 
Doordat de huizen smal zijn en de nok van het dak loodrecht op de straat staat, wenste men dit ontsierende van de woning aan het oog te onttrekken, wat leidde tot de ontwikkeling van diverse sier topgevels.

Zo onderscheiden we: trapgevels, klokgevels, halsgevels, verhoogde halsgevels, lijstgevels, verhoogde lijstgevels en topgevels.

( Het dak gaat schuil achter de als sier aangebrachte geveltop.)

Een uitzondering is het dubbele woonhuis, waarvan  de nok van het dak evenwijdig aan de straat ligt en men zodoende een lijstgevel toepaste, waarachter het dak in gehele lengte schuil gaat.
Dubbele woonhuizen zijn vrij zeldzaam.


DE HOUTEN HUIZEN VAN VROEGER. (1200-1550)

Zoals vermeld in deel 1, waren de eerste huizen van Amsterdam opgetrokken van hout. Slechts twee van deze zeer oude panden zijn bewaard gebleven. 

Het meest bekende houten pand van vroeger ligt aan het Begijnhof nummer 34. Door de jaren heen zij deze panden ook gerestaureerd en is daarbij baksteen toegepast.
Het huis op het Begijnhof dateert uit 1475. De houten puntgevel wordt gekroond door een zogenaamde 'makelaar'. Deze soort versiering komt men nog tegen op de huizen van de vroegere vissersdorpen rond de voormalige Zuiderzee en op de daken van boerderijen in het noorden van ons land, waarbij de een nog sierlijker dan de andere.





Het tweede bewaarde houtenpand van Amsterdam, 'het Houtenhuis',  ligt op de Zeedijk nummer 1. Het pand waarin onderin een bar is gevestigd tegenwoordig dateert uit 1550.

Sinds de twee grote stadsbranden in 1421 en 1452 waarbij veel van deze panden verloren zijn gegaan en een verder gevaar van dergelijke branden te voorkomen werd er in 1669 een wet aangenomen waarin het verboden werd langer panden met houtengevels te bouwen.





GEVELS MET ROLORNAMENTEN. (1570-1600).


Aan de Singel nummer 423 staat een fraai rood bakstenen pand waarvan de gevel is opgesierd met rolornamenten.
Ook in de St. Annenstraat, een zijstraat van de Warmoesstraat, op nummer 12 staat nog een pandje met deze rolornamenten. Bij dit pand zijn de rolornament versieringen aangebracht rond de top van de gevel.
Ook van dit soort panden zijn er slechts maar enkele bewaard gebleven.
Bij het pand aan de Singel nummer 423 zijn de rolornamenten aangebracht gedeeltelijk in de gevel.
Op de top van de gevel en aan de zijden van het pand zijn bolvormige pinakels aangebracht. Volgens een gevelsteen in de top van het pand dateert het geheel uit 1606. In het rolornament aan de gevel bevinden zich vier leeuwenkoppen.
Boven de vensters, kruiskozijnen met glas-in lood ramen, zijn zogenaamde ontlastingsbogen aangebracht.
Op het eerste gezicht dienen zij als versiering, maar in feite worden door deze boog constructies het gewicht van het boven het raam liggende muurgedeelte overgebracht naar de zijkanten van de ramen.
Deze kruiskozijnen met luiken werden tot ongeveer 1700 toegepast.
De ontlastingsbogen zijn ook terug te vinden bij de trapgevels.


PANDEN MET EEN TRAPGEVEL. (1600-1665).

Trapgevels zijn gebouwd in de renaissance stijl. Het is een topgevel die zich naar boven toe trapsgewijs versmalt. Tot rond 1665 heeft de binnenstad van Amsterdam vol gestaan met trapgevels.
Met de bouw van deze stijl wordt zoveel mogelijk de schuine lijn van het dak vermeden.


 Een goed voorbeeld hiervan is te zien aan het pand "Huis aan de Drie Grachten" gelegen aan de Oudezijds Voorburgwal 249.
Door het wegwerken van de drie puntdaken heeft het pand drie trapgevels gekregen.
Duidelijk is te zien dak de houten kap van het dak reeds  na de eerste verdieping begint.
Het pand "Huis aan de Drie Grachten" is een groot pand en heeft aan voor- en achterzijde een ingang.
In dit pand zijn ook duidelijk de ontlastingsbogen boven de vensters te herkennen.

Het pand heeft heeft een insnijdend dak, dwars op het dak met de nok evenwijdig aan de gracht werd het voorzien van een trapgevel. Dat de trapgevel populair was blijkt dat zelf dit dubbele pand er mee is uitgerust. Trapgevels zijn bij enkele panden vooral te herkennen, niet alleen aan de specifieke voorgevels met 'treden', maar ook aan hun typische 17e eeuwse bouwhoogte. 


Een ander fraai pand met een trapgevel is gelegen aan de Oudezijds Voorburgwal.
Hier zij de renaissance stijlmerken duidelijk in terug te vinden.
Horizontale zandstenen banden. In de ontlastingsbogen zijn zandstenen hoek- en sluitstenen aangebracht. 
De 'treden' zijn afgewerkt met zandstenen platen en op de top een pinakel. Boven de winkelpui een gevelsteen.


In latere jaren kwam de Amsterdamse renaissance op, de bouwtrant van Hendrick de Keyser. Bij deze bouw werden de trappen groter en vaak ongelijk in hoogte. Op deze trappen werden dan klauwstukken en andere versieringen geplaatst.
Ook de ontlastingsbogen boven de ramen waren niet meer halfrond maar kregen een S-vormige vorm, de zogenaamde "accoladebogen".


PANDEN MET EEN TUITGEVEL. (1620-1720).

De tuitgevel werd weinig gebruikt bij de bouw van woonhuizen. Zo zijn deze het meeste te vinden bij de oude pakhuizen.

( Twee dubbele panden ment in het midden een smaller pand met een tuitgevel aan de Brouwersgracht. Nu omgebouwd tot woonappartementen.)

Een tuitgevel is een soort afgepunte puntgevel of een versoberde trapgevel waarvan alleen de bovenste tree is overgebleven. De 'tuit' wordt vaak gesierd door een fronton of afgedekt met een zandstenen plaat. De schuine zijden eindigen op voluten of zandstenen platen. Tuitgevels werd ook veel gebruikt als achtergevel van een pand.

In de top op de nok hoogte van het dak dat achter de gevel ligt is over het algemeen een hijsbalk aangebracht. De plaatsen waar nu de ramen zitten met de de halfcirkelvormige bovenkant, waren vroeger deuren die naar buiten open konden, nu de luiken, op de vracht op de verdiepingen op te slaan.
De zandstenen blokken rond de luiken hebben naast een decoratieve functie ook een constructieve functie, daar hierin de scharnieren van de luiken werden bevestigd.
De tuitgevel is het gangbare geveltype voor de pakhuizen.

In de 17e eeuw werden de kleinere woningen in de volksbuurten van een tuitgevel voorzien omdat dit goedkoop was in de uitvoering. Ook toen al de goedkope bouw van huurwoningen.




Toch zij er eigenaren geweest die een tuitgevel wisten te verfraaien, in het begin van de 19e eeuw, met zandstenen platen, balken een fronton op de top en naast het bovenste raam aan iedere zijde een zandstenen versierde omlijsting, een cartouche.

( zie vervolg deel 3: De gevels van de grachtenpanden van Amsterdam [2]. )

dinsdag 18 november 2014

GRACHTENPANDENGEVELS VAN AMSTERDAM. (DEEL 1)

WEERSPIEGELING VAN EEN RIJK VERLEDEN.

Het zijn niet alleen de grachten van Amsterdam die jaarlijks duizenden toeristen naar de hoofdstad van ons land doen trekken, maar ook de panden met hun fraaie en afwisselende gevels welke langs deze grachten staan.
Panden die het rijke koopmansleven en de handel overzee met verre landen weerspiegelen in het water van de grachten.
Om deze fraaie panden echt goed te kunnen bekijken, moet je dit in de winter doen of het vroege voorjaar als ze niet meer schuil gaan achter het groen van de bladeren van de bomen welke langs de grachten staan.
Tegenwoordig zijn deze panden kantoren van bedrijven of zijn de etages ervan opgedeeld in woonappartementen.


EEN STUKJE HISTORIE.



Reeds in 1275 werd er gesproken in een ambtelijk geschrift over de Amsterdam. In die tijd bestond de bewoning uit een wat huizen aan de oostelijke zijde van de rivier de Amstel. Het is dus het oudste gedeelte van de stad en was gelegen bij de huidige Warmoesstraat, de Oudezijds Voorburgwal en de Oudezijds Achterburgwal.
Het uitbreiden van de stad ging altijd gepaard met het graven van grachten welke tot in de 17e eeuw een belangrijke verdedigende functie hadden. Tot in de 19e eeuw werden de grachten gebruikt voor het transport van goederen.
Al snel volgden er uitbreidingen en in 1300 werden de Nieuwezijds Voorburgwal , het Spui, Grimburgwal gegraven. Zo groeide de stad uit in oostelijke en westelijke richting.
De belangrijkste uitbreiding begon in 1613 en deze zou de stad vier keer zo groot maken. In een concentrische vorm rond het hart van de stad werden drie grachten gegraven, vanuit de Brouwergracht tot aan de Leidsegracht: de Herengracht, Keizersgracht en de Prinsengracht. De Keizersgracht werd met haar breedte van 28 de grootste gracht en de andere twee grachten kregen een breedte van 25 meter.
De stad werd afgesloten door de Singelgracht en 26 bastions, waarop molens gebouwd werden. Dit aanzicht zou de stad 200 jaar blijven houden.
Helaas is het merendeel van de huizen die toen langs de grachten werden gebouwd verdwenen en zodoende is het aantal nog bestaande huizen uit de 17e eeuw beperkt. De meeste huizen dateren uit de 18e eeuw.
Zeker een derde van de nu nog bestaande panden langs de grachten dateren van voor 1850.
Dat men langs de grachten veel bomen ziet staan heeft te maken met een keur (wet) uit de 17e eeuw waarin zelfs verplicht werd om de grond achter de panden als tuinen dienst te laten doen met veel groen voorziening.

AMSTERDAMSE GRACHTEN PANDEN. 

De bouw van de panden heeft door de eeuwen heen ook voor veel veranderingen gezorgd. De eerste panden waren hoofdzakelijk opgetrokken uit hout en hadden een puntgevel (1200 - 1550). In de jaren 1421 en 1452 gingen veel van deze panden verloren door stadsbranden. Hierna werden er hoofdzakelijk bakstenen panden opgetrokken. Ook het aan zien van de gevels veranderde met de jaren. Gevels met rolornamenten kende men in de periode van 1570 tot 1600. Na 1600 tot 1665 raakte de Trapgevels in zwang, van 1620 tot 1720 verschenen er veelal Tuitgevels en in die zelfde periode van 1640 tot 1670 de verhoogde Halsgevels. Van 1640 tot 1779 werden er weer gewone Halsgevels gebouwd en in de periode van 1660 tot 1790 de Klokgevels. In de 17e tot de 19e eeuw verschenen de gevels met verhoogde Kroonlijsten en Lijstgevels.




We onderscheiden in de panden van vroeger de koopmanshuizen en de herenhuizen.
Het verschil tussen deze panden is± dat bij het koopmanshuis de bovenste verdiepingen voor opslag van de handelsgoederen dienden en bij het herenhuis dit geheel voor bewoning ingericht was.
Koopmanshuizen bevatten pakzolders en /kelders en de goederen werden over het water af/ en aangevoerd.
Zodoende staan de koopmanshuizen aan de grachten en heeft deze handel het aangezicht van de binnenstad van Amsterdam bepaald.
Verder kende men ook nog de winkelhuizen met een houten onderpui en een ingang op straat niveau. Deze panden stonden hoofdzakelijk in de smalle straatjes en stegen die de grachten kades met elkaar verbonden.
Boven een winkel waren dan één of meerdere verdiepingen voor bewoning.
Winkelpanden waren aan de grachten zelf niet toegestaan, met uitzondering van net op een hoek, daar ze met het uitstallen van hun koopwaar de doorgang van het vrachtverkeer hinderden.




Opvallend aan de meeste grachtenhuizen is dat ze smal en hoog zijn. Ze hebben allemaal een lang gerekte grondoppervlakte. Het dak staat loodrecht op de gevel, waarvan de top vaak rijk geornamenteerd is.
De voorgevels staan allemaal iets voorover en hebben in de geveltop een hijsbalk. Het voorover staan van de gevel werd reeds bij de bouw gedaan om te voorkomen dat de vracht welke naar boven werd gehesen de gevel zou raken en beschadigen. Al deze panden zijn op houten palen gebouwd welke diep in de drassige ondergrond zijn geslagen.




Wat verder opvalt is het geringe hoogte verschil in de panden en dat veel panden een trap hebben naar de hoger gelegen ingang van het pand. Onder deze trap ligt dan de ingang naar het kelder gedeelte van het pand.



Ook opvallend is bij sommige panden het buiten de rooilijn gelegen 'pothuis' naast het pand. Het pothuis is een uitbouw van de keuken vaak bij een hoekhuis. In vroegere tijden werden er ook de potten met ingezouten voedingswaar opgeslagen. Later werd deze ruimte vaak gebruikt door handwerklieden die er hun ambacht uitoefenden.

Verscholen achter de gevels van de grachtenpanden liggen vaak fraai aangelegde tuinen met waterpartijen en tuinhuisjes.

( zie vervolg deel 2; De gevels van de grachtenpanden van Amsterdam.)

vrijdag 24 oktober 2014

SATERKOP AAN HUISGEVEL.

WAAROM EEN DUIVELSKOP AAN JE GEVEL.

DE OORSPRONG.


Sater of satyr ( Oudgrieks: satyros) stammen uit de Griekse mythologie. Ook de Etrusken en de Romeinen kenden deze figuren.
Een sater is een soort halfgod die in de bossen en de velden leefde en Dionysus, ook bekend onder de naam Bacchus, vergezelde op zijn uitgelaten drinktochten. 

Een sater werd afgebeeld met een platte neus, spitse oren die op kleine horens lijken bokkenpoten en een korte staart. Zij zijn doorgaans zwaar behaard en dragen een baard.
Zij vergezelden de god van de drank al dansend, zingend en muziek makend op een fluit. Het waren wellustelingen.
Buiten dat zij net als hun god liefhebbers van drank, waren ze ook liefhebbers van vrouwen en werden ze vaak bij voortplanting daden afgebeeld met een enorm geslachtsdeel, als een vruchtbaarheidsgeest.





Een sater staat bekend om zijn lust voor wijn en het verleiden van nimfen en efeben. Instinct ging boven rede, anarchie boven orde, overvloed boven matigheid. Zij symboliseren wellust en vervoering net als de vrouwelijke volgelingen van Dionysos.

ALS GEVELSTEEN.

Op veel panden uit de 16e en 17e eeuw vindt je op de hoeken van de gevel of geheel boven in de gevelspits een afbeelding van een saterkop.
Men plaatste deze afbeeldingen omdat ze in het menselijk bijgeloof boze geesten zouden weren.

Het is nu de vraag tegen welke boze geesten men deze afbeelding plaatste. Het kan zijn tegen ziekte, slechte handel, diefstal en brand. Later werden deze afbeeldingen door de kerk verboden en kwamen de daarvoor aangewezen heiligen voor in de plaats. Het is een blijft bijgeloof.


( De twee saterkoppen aan weerszijden van het wapen van Alkmaar, de keizerskroon en het wapen van Hoorn aan de gevel van het pand 'De Keizerskroon' Mient 31 te Alkmaar.)

Note: In veel plaatsen in het zuiden van ons land, is het na de Carnaval de gewoonte om de god van de drank Bacchus te verdrinken in een rivier of een beek.

donderdag 9 oktober 2014

ALKMAAR HET OUDE CENTRUM VERKENNEN.

DE STAD WAAR DE 'VICTORIE' BEGON.

Zegt men, "Alkmaar", dan wordt er gelijk aan kaas gedacht, maar de stad kent een belangrijk stuk geschiedenis uit de 80-Jarige Oorlog welke duurde van 1568 tot 1648. Gedurende deze oorlog was er een Twaalf Jarig Bestand van 1609 tot 1621.

VICTORIE.

 Het is 12 juli 1573 en de Spaanse troepen veroveren de stad Haarlem. Ondanks de beloften van don Frederik de zoon van de hertog van Alva; "Ik garandeer lijfsbehoud", werd de stad geplunderd en werden het merendeel van de bewoners vermoord.
De bevolking welke ook in opstand was gekomen tegen de Spaanse bezetter wist wat hun te wachten stond toen Alva Frederik met 16.000 veteranen naar de stad stuurde.
In een brief aan de Spaanse koning schrijft hij; "Mijn besluit staat vast geen enkel schepsel in leven te laten. Voor elke keel zal het mes getrokken zijn!" 

Op 12 april 1573 besloot het bestuur van Alkmaar het vuilnis van de stad niet meet te verpachten, maar zelf te gebruiken voor het versterken van haat vestingwerking. Voor de aanleg van deze hoge bastions waren veel aarde, puin, modder en vuilnis nodig. Slechts in het zuidwesten van de stad waren deze bastions gereed toen de Spanjaarden op 21 augustus 1573 hun beleg begonnen voor de stad. De vestingwerken aan de noordzijde bleven zoals ze in 1551 waren aangelegd.
Nog net op tijd heeft de stad op bevel van de prins van Oranje een klein garnizoen geuzen onder Cabiliau en Ruichaver binnen de stadsmuren gehaald. Nauwelijks 2500 weerbare mannen, maar gesteund door een volledig strijdbare burgerij, staan gereed om de Spanjaarden te ontvangen.
Don Frederik sluit de stad aan alle kanten in. De strijd begint: Alkmaar geeft een beeld van onverzettelijkheid, van geloof, van volharding en voorbeeldige moed.
Op 23 augustus komt het verzoek uit Alkmaar om de dijken door te steken. Van 25 augustus tot half september voeren de Spanjaarden schijn aanvallen uit om de Alkmaarders in verwarring te brengen.


18 september: een kannonade van 12 uur, 3 uur in de middag: een storm aanval op alle poorten van de stad.
Luidt klinkt de kreet: "help nu u zelf, zo helpt u God".
De gehele burgerbevolking staat op de wallen en houden de aanvallende Spanjaarden met brandende takkenbossen en kokend teer op een afstand. Men blijft elkaar opzwepen de strijd niet te staken.


Vrouwen aangevoerd door de kenau van Alkmaar, Trijn Rembrands, vechten naast de mannen om de vijand af te slaan. Driemaal stormen de Spanjaarden toe en driemaal deinzen ze terug. Als na vier uren verbitterde gevechten en de nacht valt, liggen er 1000 gesneuvelde Spanjaarden rond de stad. Slechts 13 burgers en 24 soldaten van het Alkmaars garnizoen zijn gebleven in de strijd.
De volgende dag beveelt Frederik tot een nieuwe aanval, maar de Spaanse soldaten weigeren, daar ze geloven dat de duivel aan de zijde van de Alkmaarders mee strijd. Hoe anders kan een half verhongerd volk een Spaans leger weerstaan en dan ook nog vrouwen die vechten als mannen.
Op 23 september worden uiteindelijk de dijken doorgestoken en moeten de Spanjaarden vluchten voor het water in een zwaar modderig landschap waardoor zij veel zwaar oorlogsmateriaal moeten achterlaten.

Op 8 oktober 1573 breekt don Frederik uiteindelijk het beleg van de stad op. "Alkmaar heeft stand gehouden" gaat het nieuws over het Hollandse land. "Van Alkmaar begint de victorie". Nog geen vierdagen later Verliezen de Spanjaarden de slag op de Zuiderzee en wordt Alva's stadhouder Bossu gevangen genomen. De 8ste oktober wordt nog jaarlijks gevierd in Alkmaar.


HET WAPEN EN DE VLAG VAN ALKMAAR. 











Alkmaar is in de loop van de 11e en 12e eeuw uitgegroeid tot een nederzetting waar veel handelsactiviteiten plaats vonden en waardoor het inwoners aantal gestaag groeide. Door de rijkdom van de nederzetting kreeg deze regelmatig te maken met strooptochten van de West-Friezen. Om zich hier tegen te kunnen beschermen verzocht  men op 11 juni 1254 aan de graaf van Holland, Willem II, om stadsrechten. Dit hield in dat men gerechtigd was om stadsmuren en grachten aan te leggen ter verdediging en tevens het recht om markt te houden. Deze stadsrechten werden dan ook die zelfde dag toegekend. Zoals de vertegenwoordigers spraken: "We vertrokken naar Leiden uit een dorp en komen in een stad thuis".

Het wapen van de stad Alkmaar werd vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 28 december 1956. In het midden van een rood schild staat een zilveren burcht. Het schild wordt vastgehouden door twee klimmende leeuwen en is gekroond met een lauwerkrans. Onder het schild een wit lint met de Latijnse spreuk Alcmaria Victrix. (Alkmaar Victorie).
Het huidige wapen is gebaseerd op het wapen dat in 1254, toen Alkmaar stadsrechten kreeg van Graaf Willem II van Holland. De burcht is de Torenburg een 13e eeuwse dwangburcht in Alkmaar uit die tijd.

De vlag van de stad Alkmaar werd door de burgemeester en wethouders van de stad op 27 augustus 1920 aangenomen als stadsvlag. Op 26 februari 2002 werd de vlag opnieuw officieel aangenomen als de gemeente vlag.
De vlag wordt als volgt omschreven: "De vlag van Alkmaar zal bestaan uit drie witte en drie rode banen om en om, in de linkerbovenhoek een rood veld ter grootte van drie banen, waarop een getrouwe weergave van de burcht uit het officiële stadswapen van de stad Alkmaar.  


EEN STADSWANDELING MET BEZIENSWAARDIGHEDEN.

( Onderstaande afgebeelde kaart geeft de route weer welke ik met u ga afleggen door het oude centrum van Alkmaar.)


Vanaf het N.S.station steken we de Stationsweg over en wandelen via de Spoorstraat in de richting van de Geestersingel. We slaan linksaf de Geestersingel op en volgen die tot de Helderseweg, waar we rechtsaf slaan. We volgen nu de Helderseweg, steken de Singelgracht over, en slaan de tweede straat rechts in, de Paternosterstraat, en wandelen deze uit tot we op het Canadaplein uitkomen.


HET STEDELIJK MUSEUM.


Op het Canadaplein ligt het Stedelijk Museum en de Bibliotheek van Alkmaar. Het is een ideale plek om de geschiedenis van Alkmaar te leren kennen. Er zijn twee zal;en over "De Gouden Eeuw" van Alkmaar (16e en 17e eeuw).
In een van de zalen hangt ook een schilderij over de bestorming van Alkmaar van de schilder J.W.A. Hilverdink. Hierop staat Trijn Rembrands afgebeeld. Zij viel op omdat ze met de mannen samen op de stadswallen zou hebben gestreden en van de vrouwen de meeste moed vertoonde bij de verdediging van de belegerde stad door de Spanjaarden.
Helaas is over haar bestaan weinig echt bewijs en is het verhaal waarschijnlijk ingegeven door de wens een heldin te hebben zoals de Haarlemse Kenau Simonsdr. Hasselaer. 
Ook over de 19e en 20e eeuw is er veel te vinden, waaronder een afdeling met historisch speelgoed. 





HET OUDSTE HUISJE.


We verlaten het Canadaplein en wandelen de Gasthuisstraat in en slaan linksaf de Geest op.
Aan de Geest ligt een klein doodlopend straatje Kanis, waarin een van de oudste stenen huizen van Alkmaar is gelegen. Het pand dateert uit 1540 en is een eenvoudige burgerwoning.
Kenmerkend voor die tijd is de pui met de kleine ruitjes, luiken en een luifel. Vroeger gebruikte men de onderste luiken ook wel om koopwaar op uit te stallen, welke werden verkocht vanuit de huiskamer.
Het straatje ontleent zijn naam aan de Kanis, een platte op de rug gedragen van twijgen gevlochten korf, waarmee veel bewoners van deze straat uit bedelen gingen voor hun dagelijks voedsel.
We vervolgen onze wandeling over de Geest en gaan verder via de Lindengracht. Voor we rechtsaf slaan naar Ritsevoort passeren we de oudste herberg van Alkmaar, "Het Gulden Vlies".


HET SPLINTER HOFJE.



Op de hoek van de Lindengracht en de Ritsevoort ligt het 'Provenhuis' van Margareta Splinter, een hofje.
Margareta Splinter was van zeer goede komaf en haar vader was schatkistbewaarder van de Staten Generaal. Margareta was getrouwd in 1613 met een hoge beroepsmilitair Floris van Jutphaas welke overleed in 1644. Margareta overleed in 1645 en het echtpaar was kinderloos gebleven.
Margareta had reeds voor de dood van haar echtgenoot besloten dat ze een hofje wilde stichten en legde dit vast in haar testament.
Het moest een onderkomen worden voor acht ongetrouwde vrouwen zonder kinderen, die tot armoede waren vervallen.
Hier gelde de regel: Op tijd thuis, zondags naar de kerk en geen mannen over de vloer. Dit zijn nu al eeuwen de huisregels, waar de vrouwen die er nu nog wonen zich ook aan dienen te houden.



Het hofje, men sprak van een 'provenhuis', is in 1646 nieuw gebouwd en in 1648 betrokken de eerste bewoners het nieuwe hofje. Bij Splinter lag het bedrag van de gratis 'prove' een stuk hoger dan bij de ander hofjes in de stad en de inwoonsters kregen maar liefst 100 gulden per jaar als toelage.
Tegenwoordig betalen de bewoonster er gewoon hun huur. Vanouds werd het hofje bestuurd door een college van regenten en een familie Van Foreest moest er zitting in hebben. Dit is nog steeds het geval en wordt er recht gedaan aan het testament van Margareta uit 1648. 
Achter de groene houten deur bevindt zich een kleine overdekte doorgang welke leidt via een tweede deur, naar een prachtige intieme binnenplaats met een prachtig aangelegde tuin. Stap binnen in het verleden!

We wandelen nu de Ritsevoort uit en passeren de Vrouwenstraat. Hier woonden in de 16e eeuw de dames van lichte zeden en werd in die tijd gewoon de Bordeelsteeg genoemd.


DE MOLEN VAN PIET.



Aan het einde van de Ritsevoort ligt op een belt de 'Molen van Piet'. De officiële naam is 'Molen de groot'.
De huidige naam is ontstaan daar familie Piet de molen al generaties in beheer heeft.
De ronde stellingmolen is in de 18e eeuw gebouwd voor het vermalen van graan. Voor die tijd stond er een houten standaardmolen uit 1769.
Op oude stadskaarten is duidelijk te zien, dat er vroeger wel 10 molens op de stadswallen stonden. Al de overige molens zijn in begin 19e eeuw gesloopt. Dit is de enigste molen uit de binnenstad die bewaart is gebleven.

Waar nu de brug is over de Singelgracht stond vroeger de Kennemerpoort.
Aaan het einde van Ritsevoort slaan we linksaf naar Kennemerpark. Door dit park loopt een wandelpad over de vroegere stadswallen die nog dateren uit de strijd tegen de Spaanse bezetter. We volgen dit pad, steken de Zilverstraat over en slaan bij de Baangracht linksaf.
Op de hoek van de Baangracht en de Oudegracht ligt de Luthersekerk. Naast de kerk op een pand een fraaie gevelsteen uit 2000.



                                  ( Orgelpijpen, zwaan en notenbalk met muzieknoten B A C H.)

DE OUDEGRACHT.


Ook een wandeling over kaden van de Oudegracht is de moeite waard als je gevelstenen wil bezichtigen.





We steken de Oudegracht over via de brug naar de drooggelegde Ketelgracht, slaan linksaf en volgen de kade van de Oudegracht om de derde straat recht in te slaan, de Hofstraat.




We lopen de Hofstraat door en slaan rechtsaf naar de Laat en weer linksaf de Kapelsteeg in waar de Kapelkerk ligt.
De kapelkerk uit circa 1500 werd in 1760 grotendeels verwoest door brand. Nog geen jaar later was men weer bezig met de wederopbouw van de kerk.
De kerk is alleen te bezichtigen op vrijdag tijdens het kaasmarktseizoen.

(Gevelsteen Kapelsteeg 4 'Landwijf'.)

Na de Kapelsteeg slaan we rechtsaf naar Verdronkenoord. Aaan het einde van Verdronkenoord steken we de brug over bij de Bierkade en zien de oude accijnstoren liggen.


DE ACCIJNSTOREN.




De accijnstoren werd gebouwd in 1622 en is een vierkante stenen toren met natuurstenen banden. De toren is voorzien van een luidklok. Goederen die bestemd waren voor Alkmaar (toen nog het oude centrum) moesten hier worden aangegeven en moest de leverancier er belasting over betalen. Deze belasting was een belangrijke inkomsten bron voor de stad.
De toren werd in 1924 vier meter verplaatst vanwege de verbreding van de Bierkade. Waar de toren nu staat was ooit een draaibrug welke in 1903 werd vervangen door een ophaalbrug. Ook deze verdween door het toenemende verkeer.


DE VISMARKT.


Tussen de Hekelstraat en de Mient aan het einde van Verdronkenland ligt de oude vismarkt van Alkmaar.
Ook nu nog is deze in gebruik voor de verkoop van vis en heeft men er ook de gelegenheid om vis te eten.



Reeds in de 16e eeuw had Alkmaar een vismarkt. Via de deuren in de muur werd de zoetwatervis in gevlochten korven in het water van de gracht vers gehouden.
Op het dak van de galerij aan de grachtkant prijken links en rechts de beeldjes van een visser en een visvrouw.


                  

Een grappig verhaal is, dat hier op een dag van een vismarkt er een ooievaar verscheen. Deze ooievaar was gekortwiekt en in dienst van de gemeente en droeg een ambtsketting om zijn nek. De taak van de ooievaar was het op eten van het visafval. Met recht loon in natura.


DE LEEUWENBURG, DE KROON EN DE ZIJDEWORM.


We slaan nu de Mient in waar drie fraaie historische panden liggen ieder met zijn eigen verhaal.
Op Mient 23 ligt het pand de Leeuwenburg.


De rentenier Leeuwenburg kocht het pand in 1702 van de erven van Gerrit Floriszoon Wildeman, de stichter van het Wildemans hofje. In 1707 liuet Leeuwenburg de gevel verbouwen en hierdoor kwam deze voor het er naast gelegen pand ver vooruit te steken. De gevel is in de stijl van de barok of Lodewijk XIV- stijl opgetrokken.
In 1737 krijgt Leeuwenborg een nieuwe buurman, Sijbrant van Haaften, en deze stoort zich er aan dat de gevel voor zijn gevel uitsteekt, zo,n 44 cm.
Van Haaften diende een klacht in bij de gemeente en deze was van mening dat Leeuwenburg zich niet aan de veranderde bouwtekeningen had gehouden.
Van Haaften werd in  zij gelijk gesteld. Op de top van de gevel had Leeuwenburg zijn naam willen uitbeelden met twee leeuwen. Om nu zijn ergernis te koelen op het stadsbestuur liet hij het wapen van de stad Alkmaar afbeelden met twee leeuwen die onelegant met hun achterwerk naar het Alkmaarse stadswapen staan, in plaats dit met hun poten te steunen zoals bij stadswapens gewoon is.


Op Mient 31 ligt het pand 'De Kroon' met een rijk versierde gevel uit de 17e eeuw.
Het is een verhoogde halsgevel met fraai versierde klauwstukken voorstellende twee vrouwen, links 'De Hoop' en rechts "het Geloof'.
In het midden tussen de vensters een fraai siersmeedwerk en boven de pui in het midden de keizerkroon met links het wapen van Alkmaar en rechts het wapen van Hoorn en op de hoeken de kop van een sater. 

Het pand nummer 33 "De Zijdeworm' heeft een wat eenvoudige gevel en dateert uit 1672. het was eigendom van een zijde handelaar, wat weergegeven wordt door de gevelsteen.



Na de Mient slaan we rechtsaf naar de Fnidsen. Aan de Fridsen tussen de Nieuwstraat en de Sint Annastraat ligt enigszins verscholen de Remonstrantse kerk.



DE REMONSTRANTSE KERK.



Achter een houtenpoort met een smeedijzeren hekwerk er op, met daarin de letters R en K, ligt de schuilkerk uit 1658. Hier kwamen de gelovigen vroeger in het geheim bijeen. De monumentale gevel met twee klokgevel huisjes stamt uit 1728
Het gebouw was oorspronkelijk een graanschuur.
De kerk met een prachtig interieur en een houten tongewelf met rondom galerijen die rusten op houten zuilen is alleen te bezichtigen op vrijdag tijdens het kaasmarktseizoen. 
De grenen vloer wordt nog steeds zoals vroeger met fijn zand bestrooid.

We slaan nu linksaf de St.Annastraat in en voor de brug aan de Luttik Ouddorp weer linksaf. We slaan nu rechtsaf naar de Appelsteeg waar op de hoek het "Huis met de Kogel" ligt.




HET HUIS MET DE KOGEL.


Het 'Huis met de kogel' werd in 1573 tijdens het beleg van Alkmaar, zwaar onder vuur genomen door de kanonnen van de Spanjaarden. Het pand is op een muur na geheel uit hout opgetrokken.
De kogel afgevuurd door een Spaan kanon ging door het raam van het huis van de toenmalige bewoner Jan Arendszoon, een mandenmaker. De kogel van 40 pond verbrijzelde de stoel waarop een meisje aan het spinnewiel zat te werken. Het was een wonder dat niemand van de zeven aanwezigen personen gewond raakte.
De kogel is later na het herstel van het huis, wat op de rekening vermeld stond als reparatie van "een gat" in de linkerhoek van de gevel geplaatst als aandenken.
De houten gevel is geheel overstek gebouwd. Elke verdieping is op consoles geplaatst. Daar het huis van onderen smaller is dan van boven staat het op een kleiner stuk grond, waardoor de eigenaar minder grondbelasting diende te betalen.


HUIS MET DE SCHOPJES.














We slaan even rechtsaf de Luttik Ouddorp op. Hier staat op nummer 110 het "Huis met de schopjes".
Het pand dateert uit 1609 en heeft één van de mooiste trapgevels van Alkmaar. Het was het onderkomen van de Alkmaarse koekenbakkers en de fraaie gevelsteen boven de winkelpui herinnert hieraan. De luiken van de winkelramen konden worden uitgeklapt en daar werden te goederen uitgestald die te koop waren.
Boven de vensters zijn fraaie bogen aangebracht met in iedere boog een kopje. De ramen die nu luiken hebben waren vroeger deuren van het boven de winkel gelegen pakhuis. Met behulp van de hijsbalk werden de goederen naar de bestemde etage gehesen.
We lopen nu even terug en slaan rechtsaf de Kooltuin in.



De huizen staan met hun achterzijde in het water. Een vindingrijke ondernemer biedt hier tegen vergoeding een vaart door de kanalen van Alkmaar aan in een (Venetiaanse)  gondel. Ook aan de kade zijde van Kooltuin liggen fraaie geveltjes.
Aan het einde van de Kooltuin slaan we linksaf de Dijk op en even later weer linksaf de Voordam op.


HET BIERMUSEUM.

  










Aan de overzijde van de brug naar de Peperstraat ligt een pand met een muurschildering er op.
Het is het Biermuseum 'De Boom'.

In dit pand was in de 17e eeuw een bierbrouwerij gevestigd. Hier krijgt men een overzicht te zien van de geschiedenis en het brouwproces van bier in Nederland. Mocht u dorst hebben gekregen dan kunt u terecht in het proeflokaal dat in de kelder is gelegen. Proost!

WAAGPLEIN MET KAASMARKT EN DE WAAG.



Na onze dorst gelest te hebben wandelen we naar het Waagplein.
Op dit plein wordt in het seizoen op vrijdag de kaasmarkt gehouden die veel buitenlandse toeristen trekt. Dit is vanaf de eerste vrijdag in april tot en met de eerste vrijdag in september van 10.00 tot 12.30 uur.
De kaasmarkt vond voor het eerst plaats in 1622. Sinds 1365 werden er al kazen gewogen in Alkmaar. Deze kazen werden vroeger per boot via de grachten aangevoerd.
De kazen worden vanaf zeven uur in de ochtend naar de markt gebracht. Om tien uur komen de keurmeesters in actie om de kwaliteit en de smaak van de kazen te keuren. Zij doen dit door met een holle boor een stukje binnen uit de kaas te halen. Hierna wordt dit dan betast, geroken en geproefd om uiteindelijk de kwaliteit vast te stellen.
De verkoop van de kazen gaat net zo toe als de verkoop van vee, want door middel van 'handjeklap' wordt de prijs onderling overeen gekomen. Als de prijs is bezegeld brengen de kaasdragers de kaas naar de Waag waar deze wordt gewogen. 


De kaasdragers behoren tot een bepaald veem, een vennootschap, en zijn te herkennen aan de kleur van hun strooien hoed. Het huidige kaasdragersgilde leeft nog steeds de oude tradities na.
De leider van de kaasdragers is herkenbaar aan zijn oranje gekleurde hoed en wordt 'paps' genoemd.
De kaasdrager met de bijnaam 'de beul' houdt bij welke dragers te laat komen en deelt dan ook een boete uit. Ook vloeken tijdens het werk is verboden.
Mocht er tijdens het dragen van de kazen op de berrie naar de Waag een kaas eraf vallen, dan wordt er niet gescholden maar roepen de dragers: Uil!


KAASKOPPEN.

Alkmaarders worden ook wel kaaskoppen genoemd, wat voor de een een scheldwoord is en voor de ander gewoon een onderscheiding van de soort bevolking welke in de stad woont.
De naam is ontstaan uit het feit dat tijdens het beleg van de Spanjaarden om de stad, de Alkmaarders zich vanaf de stadswallen verdedigden en op hun hoofd een soort 'helmen' droegen. Deze helmen waren in feite kaasmallen waarin de kazen geperst werden, de zogenaamde kaaskoppen.




Het Waaggebouw dateert uit 1390 en was oorspronkelijk een Heilige Geesthuis, een gasthuis waar zieken en arme reizigers werden opgevangen.
Na het verkrijgen van het waagrecht, weegrecht, in 1582 werd het gebouw verbouwd tot Waaggebouw.
Het gebouw was in die tijd omringt door huizen die men langzaamaan begon te slopen om meer ruimte te verkrijgen voor de kaasmarkt. Het duurde twee honderd jaar eer het plein de grote had verkregen wat het nu heeft. Aan de gotische ramen is duidelijk te zien dat het gebouw vroeger een kerkelijke bestemming had.
In de voorgevel staat de spreuk in het Latijn: 'S.P.Q.A. RESTITUIT VIRTUS ABLATAE JURA BILANCIS', oftewel: 'Moed en kracht schonken aan bestuur en burgerij van Alkmaar het verloren waagrecht weer'.
De spreuk herinnert aan de succesvolle verwering van de Alkmaarders tegen de Spaanse tropen in 1573, waardoor ze het waagrecht verkregen.


Onder de wijzerplaten van de klok in de toren plaatste men in 1712 verschillende spreuken in het Latijn zoals:
'VIVE MEMOR LETI, FUGIT HORA'  vertaald als 'Gedenk te sterven, de uren gaan snel' en 'SINGULAS HORAS SINGULAS VITAS PUTA'  vertaald als 'Beschouw elk uur als een afzonderlijk leven'.
Misschien heeft men deze uitspraken geplaatst met een vooruit zicht op onze moderne jachtige tijd?

In het Waaggebouw bevindt zich het Kaasmuseum waar de geschiedenis van de zuivelbereiding, de handel in zuivelproducten wordt weergegeven. Verder is er een collectie 16e eeuwse schilderijen te bezichtigen met daarop afgebeeld de vrouwen in hun plaatselijke klederdrachten.
Hier is ook het kantoor van de plaatselijke VVV gevestigd.



                                                            
De statige gevel van het Waaggebouw is voorzien van een fraaie decoratie met daar boven in het Latijn in een cirkel de spreuk: 'RENOVATICVM 1884' met daarboven het jaartal 1582.

We lopen van het Waagplein de Gedempte Nieuwsloot in en slaan even af de Achterstraat in. Hier ligt het kaaspakhuis met een fraaie gevelsteen, waarop de kaasberrie staat afgebeeld waarmee de kaasdragers de kaas van de markt naar de waag dragen.




HET HOF VAN SONOY.

Waar nu het restaurant 'het hof van Sonoy' ligt, lag vroeger het Witte Hof of het Sint Maria Magdelena Klooster.
In 1572 viel het klooster in handen van de stad en werd besloten hier daklozen onder te brengen die door uitbreidingen of het aanleggen van nieuwe stadsverdedigingen hun woning hadden moeten verlaten. Na het beleg van Alkmaar werd het hof verkocht aan Diederick van Sonoy, gouverneur van het Noorderkwartier, die hier woonde en een sleutelrol speelde bij de overwinning op de Spanjaarden in 1573.
Frederick van Sonoy werd geboren in 1529 te Kalkar in Duitsland. Hij was stadhouder van Enkhuizen en bouwde ook de vesting Bourtange in Groningen. Hij overleed op 2 juni 1597.
Hij weigerde in 1567 de eed van trouw af te leggen aan de koning van Spanje en ondertekende samen met nog acht edelen een compromis om de Spanjaarden met geweld uit de Lage Landen te verdrijven. Hij werkte als geheim agent voor de prins Willem van Oranje.
Van Sonoy was een dappere, maar ook een wrede strijder en schrok er niet van terug om dorpen plat te branden, te martelen en zelfs burgers als schild in de strijd te gebruiken. 

In 1591 werd het hof gekocht door een zekere Mr. Willem van Bardes en deze liet er de nu nog staande achthoekige toren bouwen. Vermoedelijk deed de toren dienst als uitkijktoren.
Het poortje met het wapen van Bardes dateert uit het begin van de 17e eeuw.
In 1743 kwam het hof in handen van de Hervomde Gemeente die er een tehuis van maakte voor oude mannen en vrouwen.




HOF VAN NORDINGEN.

Voor we verder wandelen en linksaf slaan de v.d. Boschstraat in, slaan we rechtsaf de Lombardsteeg in waar een pand ligt op nummer 23 met een fraaie gevel. 


Ook dit pand was vroeger een provenhuis, een hofje voor oude mannen. Het werd gesticht door Van de E. heer Johan van Nordingen in 1556. Beide oude mannen afgebeeld naast de verhoogde halsgevel met fraaie klauwstukken en voorzien van een herdenking gevelsteen dragen het wapen van Nordingen.

HET MORIAANSHOOFD.

We steken de Gedempte Nieuwesloot over en wandelen de v.d.Boschstraat in naar de Langestraat en slaan deze rechtsaf in. Hier liggen het Moriaanshoofd  en het stadhuis van Alkmaar naast elkaar.


Het van oorsprong grote patriciërshuis dankt zijn naam aan de daar eens gelegen stadsherberg. Hier logeerde meerdere keren de broer van Napoleon Bonaparte, Lodewijk Napoleon.
Het Moriaanshoofd werd in 1718 gekocht door een van de schepenen Simon Schagen, een stadsbestuurder, en liet het huis in de daaropvolgende jaren grondig verbouwen.
Zoals in die tijd de gewoonte was bij belangrijke personen liet ook hij zijn beroep op de gevel van het huis weergeven met een symbolische voorstelling van 'de goede rechter'.
De afbeeldingen hebben betrekking op de deugden van de opdrachtgever zoals wijsheid, voorzichtigheid en waakzaamheid.
Maar in werkelijkheid was Simon Schagen niet zoals hij naar buiten wenste uit te stralen. Zijn privé leven was verre van vlekkeloos. Na de dood van zijn eerste vrouw, trouwde hij met een een rijke weduwe die een jaloerse en achterdochtige vrouw bleek te zijn. Op alle mogelijke manieren wist ze haar man in de gaten te houden als hij uit wandelen ging in de stad.
Zij was zo achterdochtig dat zij zelfs bij haar huwelijk haar bezit niet had meegenomen naar het huis van haar echtgenoot. Op een zekere nacht stal Simon Schagen al haar obligaties. Uiteindelijk kwam deze zaak voor de rechter en dat was niet ten goede van de man die zijn huis met zijn 'goede eigenschappen' had laten verfraaien.


HET OUDE STADHUIS VAN ALKMAAR.


















Sinds de bouw van het nieuwe Stadskantoor heeft dit Stadhuis alleen nog een functie bij trouwpartijen.
Het gebouw is tussen 1509 en 1520 gebouwd in de gotische stijl. Het gebouw heeft één hoektoren met een opengewerkte peervormige torenspits. Geld voor de bouw kwam in die tijd van de kerken in de stad.
In 1694 begon men het stadhuis uit te breiden. Acht jaar na de oplevering in 1890 vernielde een zware brand een groot deel van het pand en vernielde ook het stadsarchief.
In de jaren 1912 tot 1914 is het gehele stadhuis gerestaureerd en deze restauratie was het begin van vele interne verbouwingen.
Onder de stadhuistrappen zijn twee ingemetselde raampjes; achter het linker raampje waren de cellen van de ter dood veroordeelden en achter het rechter raampje zaten de overige gevangenen. Tot 1821 kwam twee keer per jaar de beul van Haarlem naar de stad om de vonnissen te voltrekken achter het stadhuis.
Voor dit spektakel werden de kerkklokken geluid, scholen werden gesloten en het publiek stroomde samen om maar niets te missen van het gruwelijke schouwspel van geselen, vierendelen, onthoofden, ophangen, verdrinken en verbranden van de veroordeelden.
Na het voltrekken van het vonnis werden de lijken naar het galgenveld buiten de stad gebracht en weer opgehangen als een afschrikwekkend voorbeeld wat men te wachten staat bij het overtreden van de wet.
In 1879 werd in Nederland de doodstraf officieel afgeschaft.



De twee beelden bij de ingang stellen 'de Waarheid' en de 'Gerechtigheid' voor. Tussen de beelden de Latijnse spreuk; OPUS HOC VETUSTATE COLLLAPSUM EX. S(ENATUS) C(ONSULTO) RESTAURARI CURA(VE)RUNT MDCXCIV  (1694) 
Boven het beeld 'de Waarheid' staan de wapens van de burgemeesters Mr. Adriaen Schagen en Sijmon Sevenhuijsen en boven het beeld 'de Gerchtigheid' de wapens van de burgemeesters JHR Floris van Teijlingen en Hendrik Brant.
Het stadhuis is sinds 1969 een rijksmonument.


DE GROTE SINT LAURENSKERK.

We wandelen de Langestraat uit en komen op het Kerkplein waar de Grote Sint Laurenskerk staat.

De kerk is gebouwd op een uitloper van een duinrug en draagt de naam van een van de belangrijkste martelaren van het christendom. Rond 900 n.Chr. vestigde zich hier de eerste bewoners van Alkmaar rond een houten kapel omgeven door meren en watertjes. De oudste gevonden resten stammen uit de 11e eeuw toen er een turfstenen Romaanse zaalkerk stond. In de tweede helft van de 15e eeuw begon men aan de bouw van een toren, welke in 1468 volledig instortte.
Met de bouw van de huidige kerk werd in 1470 begonnen en kwam in 1520 gereed. 

De kerk is een kruisbasiliek met als bouwstijl de Brabantse gotiek. In de kerk staat het wereldberoemde Schnitorgel wat in de 17e eeuw werd gebouwd door de orgelbouwer Hagerbeer en in de 18e eeuw ingrijpend werd verbouwd door Casper Schnitger. Het orgel wordt nu gebruikt voor het geven van orgelconcerten.

De kerk heeft tegenwoordig een multifunctioneel doel en wordt gebruikt voor concerten. beurzen, symposia, huwelijken en tentoonstellingen. De kerk is te bezichtigen op de tijden en dagen bij de ingang aangegeven.

( Het wapen van Alkmaar tussen twee vensters aan de kerk.)




Vanaf het kerkplein komen we weer uit op het Canadaplein waar we met onze stadswandeling zijn begonnen.
Uiteraard bent u niet verplicht om deze route te volgen zoals ik hier beschreven heb. Zelf het ik dit ook niet gedaan en ban de nodige zijstraten ingelopen om meer te zien van de gevels van de  huizen in de oude binnen stad van Alkmaar. Zo zijn er nog genoeg fraaie gevelstenen en  snijramen boven de deuren te vinden.


 ALKMAAR HEEFT MEER TE BIEDEN DAN ALLEEN KAAS!