zaterdag 28 maart 2015

'FRAM' (SCHIP). WAT IS DAT?


POOLIJS TROTSEREND.




De 'Fram' was een expeditievaartuig, in 1893 gebouwd voor de vaart in de Poolzee, in het bijzonder bestemd om, ingevroren in een ijsveld met een veronderstelde stroom vanaf Franz Jozef Land, de Noordpool zo dicht mogelijk te benaderen.

                                           (Het tuigplan en dwarsdoorsnede van de 'Fram'.)

Het schip werd ontworpen door Colin Archer, naar de wensen en ideeën van Fridtjof Nansen, met adviezen van kapitein Otto Sverdrup. Meer nog dan bij andere poolvaarders waren aan de 'Fram' ronde vormen gegeven en een gladde huid zonder uitsteeksels, hetgeen tot doel had het schip te doen opdrukken bij eventuele ijspersing.


In het algemeen moet de constructie van een poolschip zodanig zijn dat van buiten uitgeoefende krachten door het gehele scheepsverband worden gedragen.
Behalve door talrijke schoor- en kruisverbindingen zal dat worden bereikt door een zwaar raam van kiel en stevens en een zeer dikke scheepshuid.
Bij de 'Fram' l;agen de spanten dicht opeen met daarop een binnenhuid van 7,5 cm eikendelen, waarop een eiken buitenhuid van 10 cm en als schuurhuid nog een groenhart, die op de waterlijn 15 cm dik was. De gehele houtconstructie aldaar bereikte een dikte van ongeveer 75 cm.
Zonder de schuurhuid was het schip op de waterlijn 10,4 meter breed bij een lengte van ongeveer 36,3 meter, dus kort en breed. De holte was 5,25 meter.


Afgeladen met voorraden voor 5 jaar was de waterverplaatsing ca. 800 ton. Het schip voerde een driemast-schoenertuig en had aanvankelijk een stoommachine van 220 ipk die een maximum snelheid leverde van 7 mijl per uur. onder gunstige weersomstandigheden.
Bij de verbouwing in 1909 werd deze installatie vervangen door een motor van 360 apk, terwijl de fokkemast twee vierkante zeilen kreeg.
De eerste reis was de bekende expeditie van Nansen van 1893 tot 1895, waarbij de 'Fram' bijna a drie jaar in het ijs zat en ondanks de zware drukken waaraan het schip werd blootgesteld, vrijwel geen schade opliep.




Van 1898 tot 1902 maakte de 'Fram' een expeditie onder Sverdrup naar het gebied ten noordwesten van Groenland.
De derde reis van het schip was met Roald Amundsen van 1910 tot 1912 naar Antartica.
Na deze expeditie werd het schip opgelegd en tenslotte in 1936 als monument ondergebracht in een speciaal voor dat doel gebouwde boothal op het eiland Bygdones bij Oslo. 







donderdag 26 maart 2015

JACOBSLADDER IN DE ZEESCHEEPVAART. WAT IS DAT?


DE WEG NAAR BOVEN OF TERUG.




DE JACOBSLADDER.

De jacobsladder is een ladder gemaakt van twee stevige touwen waartussen houten sporten zijn bevestigd.
Jacobsladders werden reeds in de middeleeuwen gebruikt op de schepen om in de mast te klimmen. In die tijd waren er nog geen weeflijnen op het want gestoken.
Aan boord van schepen met een hoge verschansing werden korte jacobsladders op enige hoogte boven dek aan de hoofdtouwen opgehangen om deze beter te kunnen bereiken zonder op de stukken, nagelbanken, enz. te moeten klauteren.
De uiteinden van deze ladders werden aan een oogbout op dek genaaid.
Een jacobsladder werd ook bevestigd aan de toppen van de bovenbramstengen en aan de bezaansteng om de top van de mast te kunnen bereiken indien het bramwant niet van weeflijnen voorzien was.

Om in geval van nood aan boord van de reddingssloepen te gaan, liggen bij iedere sloep op het sloependek een opgerolde, met canvasdoek afgedekt, jacobsladder.


LOODSLADDER.

De loodsladder is ook een soort jacobsladder. Ook hier worden de treden bevestigd aan een manilla touwwerk. De ladder dient om bij zeeschepen om de loods aan boord te kunnen nemen.
De loods is hierbij niet verplicht om meer dan 9 meter te klimmen.
Opvallend bij de loodsladder is de lange ver uitstekende trede om de vijf kleine treden. Deze is aangebracht om te voorkomen dat bij het beklimmen van de loodsladder deze zich omdraait en de loods tussen de ladder en de scheepshuid bekneld zou komen te zitten.
De eisen waaraan een loodsladder moet voldoen zijn internationaal vastgesteld in de Internationale Conventie ter Beveiliging van Mensenlevens op Zee (1960) en nationaal in artikel 87 en 162 van het Schepenbesluit (1965).



JACOBSLADDER AAN DE HEMEL.

Op zee heeft men een ruim zicht op de lucht boven het water.
Bij een zwaar bewolkte hemel kunnen er dan momenten zijn dat het wolkendek even openbreekt en de zonnestralen naar beneden schijnen . De hierdoor ontstane lichtbanen worden ook jacobsladders genoemd.









woensdag 25 maart 2015

JACKSTAY. WAT IS DAT?

EEN HOUVAST UIT DE ZEILVAART.





Verklaring letters:
A. - Jackstay.
B. - Paarden.

De jackstay is een ijzeren stang, welke op korte afstanden wordt gesteund en is aan gebracht op de bovenkant van de ra.
De jackstay werd sinds de tweede helft van de 19e eeuw op de ra aangebracht om er de zeilen aan vast te maken.
Hij diende tevens als handgreep waaraan de in paren staande bemanningsleden, op de paarden, houvast konden vinden.
Tegenwoordig maken ze hieraan hun veiligheidsgordels aan vast bij het werken aan de zeilen. 


Een jackstay is ook de handreling die op jachten langs de zijkanten van lage kajuitopbouwen wordt aangebracht.


zondag 22 maart 2015

EENPUNTSMEERBOEI (SBM). WAT IS DAT?

OM EEN TANKER TE LADEN OF -LOSSEN OP ZEE.


                             ( Shell tanker s.s.Kenia gemeerd aan een SBM om te laden.)

Een eenpuntsmeerboei, in vaktermen een 'SBM' (Single Buoy Mooring) genaamd, is een drijvende boei, waaraan in open zee een tanker gemeerd kan worden om te laden of te lossen.
Deze manier van laden of lossen van een tanker wordt daar toegepast, waar geen voldoende haven capaciteiten aanwezig zijn, door onvoldoende diepgang, en dat het meren en ontmeren ook bij ongunstige weersomstandigheden minder tijd en moeite vergt en voorts dat krachten van wind en stroom veel minder invloed op het schip hebben.

Het schip gemeerd aan de verankerde drijvende boei kan 360 graden ronddraaien om de boei.

(Links: Eenpuntsmeerboei, van boven en van opzij gezien.)

Verklaring cijfers:
1. - Ankerkettingen van de boei.
2. - Leiding van/naar de wal.
3. - Vastgedeelte van de boei.
4. - Draaibaar platform van de boei.
5. - Drijvende slangen van/naar het schip.
6. - Meertrossen van het schip.

(Rechts de SBM gezien vanaf het voorschip van het s.s.Kenia.)


Een eenpuntsmeerboei wordt in positie gehouden door verankering aan de zeebodem met meerdere kettingen en ankers. De boei bestaat uit een vast deel, dit is het deel waaraan de verankering vast zit, en een draaibaar deel, dit is het deel waaraan het schip ligt gemeerd.
Tevens zijn aan het draaibare deel de drijvende slangen bevestigd voor het laden of lossen van de lading, zodat deze geen hinder ondervinden van het rondzwaaien van het schip.
Een flexibele pijpleiding van uit het midden van de boei voert over de zeebodem naar de wal.

(In het midden van de afbeelding de drijvende meerkettingen met boeien om het schip aan de meren en rechts de drijvende ladingslang.)

Nadert nu een tanker de SBM dat is er een sleepboot aanwezig welke assistentie verleend bij het verbinding maken tussen de drijvende meerboeien van de SBM en de meerkabels van het schip.
Nadat het schip veilig ie afgemeerd aan de SBM worden met behulp van de sleepboot de drijvende slangen bij de tanker langszij gebracht welke door de scheepskraan aan boord worden gehesen.
Beide slangen zij aan hun aankoppel flenzen afgedicht met een flens. 
Na het verwijderen van de afdichting worden de slangen aan het ladingmanifold, het verdeelstuk van de laad- of los leidingen met afsluiters, aan boord van de tanker aangekoppeld, waarna de afsluiters op het manifold kunnen worden geopend en het laden of lossen kan beginnen.



                ( Beide drijvende ladingslangen zijn aan het manifold aan boord aangesloten.)

Is de gehele laad- of los operatie gereed, dan worden de ladingslangen losgekoppeld en weer degelijk afgedicht, waarna ze weer te water worden gelaten. Ook de meerboeien met ketting van de eenpuntsmeerboei worden weer te water gelaten en van de meerkabels van het schip losgekoppeld.
Alvorens de machines van het schip te gebruiken om weg te varen laat men eerst het schip een afstand van de meerboei wegdrijven om eventueel contact te vermijden.

Met de toepassing van dit systeem om te laden of te lossen is men in 1959 begonnen. Thans zijn er eenpuntmeerboeien ontworpen en/of reeds in gebruik voor zeer grote mamoettankers.

( Deze lading operatie werd uitgevoerd voor de kust van Sarawak (Federatie Maleisië)
Noord-Borneo te Miri.)


zaterdag 21 maart 2015

JONK. WAT IS DAT?

DE OUDSTE NOG STEEDS

VARENDE ZEILSCHEPEN

VAN CHINA.                       


Het woord 'jonk' (Chinees schip), Maleis - jung, Javaans - jung, is een woord dat in allerlei varianten in grote gebieden in Azië voorkomt.
De jonk is in het Verre Oosten ontwikkeld als een zeilvaartuig dat vooral wordt geassocieerd met China en Vietnam. De benaming 'jonk' is door de Westerlingen gegeven aan dit Chinese vaartuig.
Het is naar alle waarschijnlijkheid afgeleid uit het Portugees 'junco', dat weer een verbastering is van het Javaans 'djong', wat schip betekend. Het model van de jonk heeft lange tijd bestaan zonder wezenlijke verandering te ondergaan.
Gedurende de Chinees-Japanse oorlog (1937-1945) bouwde men jonken met meerdere dekken voorzien van kanonnen. Deze jonken vloot was niet opgewassen tegen de Japanse moderne vloot en zo werden er duizenden jonken naar de zeebodem gejaagd.


Er zijn verschillende soorten jonken: vrachtjonken, vissersjonken, woonjonken en tegenwoordig de pleziervaart jonken.
De jonk is gebouwd met een verschillend aantal masten en in variërende omvang, van klein tot vrij groot met een waterverplaatsing van 3000 tot 4000 ton.
De meest opvallende kenmerken van de jonk, die altijd van hout werd gebouwd, waren de vlakke bodem zonder kiel, een opmerkelijk hoge achtersteven en een in vergelijking daarmee lage, vierkante voorsteven.
Door de platte bodem was het schip uitstekend om dicht onder de kust te varen, in ondiepe wateren en op de rivieren ver landinwaarts.
De jonk zou een vergrote sampan zijn; welk woord drie (san) planken (pan) betekend. De Chinezen zelf gebruiken dit woord niet, maar spreken van een 'hua-tzu' of kleine boot.
De Chinese sampan is een werkboot of bijboot van een jonk, maar wordt ook als zelfstandig vaartuig gebruikt, voor visserij, vracht en als woonboot.



( Tekening; Jonk van de Gele Zee, cha tchóuan, waarschijnlijk het oudste type van de zeegaande Chinese schepen. De grootste zijn 30 tot 50 meter lang met een tonnage van 200 tot 350 ton en een bemanning van 25 tot 30 koppen.)

Beide schepen hebben de zelfde kenmerken, de brede platte kielplank die van voor- en achterzijde omhoog gebogen is, met aan de zijkanten daarop aangebrachte verticale zijden.
Het afronden van de kimmen en het opboeien en aanbrengen van tussenschotten maakt van een sampan een jonk. 



De jonk had gewoonlijk twee of drie masten die elk een enkel zeil van een loggerachtig soort voerde, met bij de groter vaartuigen voorzieningen voor het zetten van nog een of zelfs nog twee masten wanneer de weersomstandigheden daartoe aanleiding gaven.
Afhankelijk van hun grote verschilde ook de voortstuwing van de jonk. Buiten zeilen werden ze ook voortbewogen door roeiriemen of peddels (chiang), door een wrikboom (yoloh) of door middel van een duwboom.
De bouw van de jonk gaat niet vanaf een getekend vastpatroon, maar is een kwestie van overlevering van de kennis door de generaties heen. 
Het zeil was vierhoekig en bevestigd aan een ra die ruim voor zijn middendeel in de mast was gehesen, waardoor bij een normaal getuigde jonk ongeveer een kwart van het zeiloppervlak zich voor de mast bevond. Aan de ra zat een strop waarmee hij aan een traveller gehesen werd tot het voorlijk van het loggerzeil strak stond.



Klassiek jonkzeil, type grootzeil.

Verklaring letters:
CG. - Grootschoot.
GF. - Grootschoot.
ABDNE. - Schootspruiten of hanepoten.
G. - Schootoog.
H. - Schoot.
I. - Toppenend.
J. - Grootval.
K. - Hulpval.
L. - Rak (lopend).
M. - Rak (vast).
N. - Lijk.
O. - Ra.
P. - Zeilboom of giek.


De zeilen van de jonk waren gewoonlijk gemaakt van matten die verstijfd werden door horizontale latten die meestal van bamboe waren, een toevoeging die de aërodynamische werking van de zeilen enorm verbeterde. Vanaf het begin van de 19e eeuw werden de matten dikwijls vervangen door matten met versterkt doek. Het jonkzeil heeft een aantal van voor- tot achter doorlopende zeillatten. Elke zeillat heeft een eigen schoot die rechtstreeks van dek kan worden gehanteerd. Door deze doordachte constructie kan de stand van onder tot boven worden aangepast aan de windrichting en de kracht van de wind.  Om het zeil te reven, laat men eenvoudig met één of meerdere zeillatten op de giek zakken om zo het gewenste zeiloppervlak te verkrijgen. Soms maakt men ook gebruik van driehoekzeilen.


Bij het gebruik van vijf masten, staan deze niet allemaal loodrecht of in hartlijn. Ze zijn in deze volgorde geplaatst; de eerste zo dicht mogelijk tegen de achtersteven en tegen de bakboord verschansing, lichtjes voorover hellend, de tweede in de hartlijn van het schip, ietsjes voorover hellend, de derde, de grote mast zo goed als in het midden van het schip verticaal op de hartlijn, de vierde tevens de kleinste mast ter hoogte van het roer aan de bakboord verschansing, de vijfde tegen de achtersteven ietsjes uit het midden.
De gehele opstelling van de masten licht voorover en de zeilen en niet te vergeten de zeemansschap maakte het mogelijk met deze schepen bijna tegen de wind in te zeilen. 



( Een jonk in de haven Aberdeen van Hong Kong)

De jonk  heeft een bijzonder lange tijd bestaan zonder wezenlijke veranderingen te ondergaan,
bijvoorbeeld aan zijn grootste breedte die zich
op ongeveer tweederde afstand van de boeg bevond, zijn afgeschuinde voorsteven zonder stevenbalk en zijn zeer volle achtersteven.
De jonk is als een stevenvaartuig gebouwd. Voor westerse begrippen zijn de gebruikte werktuigen aan boord primitief, maar de Chinese scheepsbouwer levert een zorgvuldig afgewerkt product af. De voor ons dikwijls ingewikkelde werkwijze aan boord zijn bij nadere beschouwing vaak zeer doordacht en praktisch. Ze zijn getoetst aan een eeuwen oude ondervinding.
Het sturen gebeurde door middel van een enkel, groot roerblad dat onder het vlak kon worden neergelaten wanneer de jonk op zee was. De plaatsing van het roer is typerend voor het vaar- en stroomgebied waar het schip vaart.
De samenstelling van het type van de zeilen verschild van de streek waar de schepen zijn gebouwd.



De jonk wordt niet gebouwd uit tropisch hardhout, maar vooral uit vurenhout, voor de dwarsschoten wordt meestal laurier- of kampferhout gebruikt.
Minder duidelijk vanaf de buitenkant te zien zijn bijzonderheden als het gewelfde onderdek en het uitgebreide versterkte binnenwerk van de romp.
Het onderdek welfde van het langsscheepse midden naar het breedste deel van het schip, waardoor het overkomende- of regenwater van het dek gemakkelijk door de spuigaten werd afgevoerd.
Erboven was een vlak, smaller dek dat van voren naar achteren doorliep. Een groot aantal waterdichte schotten ( soms tot twintig stuks in grote vaartuigen) maakte de romp strek en zorgde ervoor dat, mocht er ergens een lek ontstaan, het water zich niet door het gehele kon verspreiden.
Door de bouw van meerdere dekken maakte men tevens plaats voor hutten voor de handelaren die samen met hun koopwaar de reis maakten. Het waren de standaard 'koopvaardijschepen' van het Chinese keizerrijk en geschikt voor oceaanreizen. De jonken maakten reizen over de Stille Oceaan zuidwaarts helemaal tot de Filipijnen en, zij het minder regelmatig, over de Indische Oceaan westwaarts tot Oost-Afrika en mogelijk tot de westkust van Noord-Amerika.
De jonken welke in het begin van de 18e eeuw in Zuid-China werden gebouwd kregen duidelijk te maken met de westerse zeilinvloeden. Merkbaar was de ruime ombouw die vaak rond de roerkoning werd gemaakt, een groot, over de verschansing gebouwd platform aan de boeg en de toevoeging van een boegspriet die het voeren van een voorzeil mogelijk maakte.


Een gemotoriseerde vissersjonk loopt de haven van Aberdeen  te Hong Kong binnen.
Opvallend zijn de vlaggetjes op de voorplecht, welke niet tot drijvers van de netten behoren, maar een overleden familielid symboliseren als rouw betoon. Ze blijven hangen tot ze geheel verteerd zijn door weer en wind.

Ondanks de opkomst van de scheepsmotor varen er nog steeds jonken in de Zuid-Chinese zee getuigd met de traditionele zeilen.
Vaak een kleine motor als voortstuwing of opwekking van elektriciteit voor radiocommunicatie.
Veelal zijn ze niet uitgerust met radar en de navigatie gaat op kennis van wateren en kusten, overgegeven van generatie op generatie.





donderdag 19 maart 2015

HOOGAARS. WAT IS DAT?


HET VERLEDEN VAART NOG 

                  HEDEN.

De hoogaars is een Nederlands platboomd vissersvaartuig dat vooral gebruikt werd voor de oester- en mosselkweek in Zeeland, de garnaalvisserij in de zeegaten, de visserij en het transport van visserijproducten in Zuid-Holland en België. Tegenwoordig nog in gebruik als plezierjacht.





Het vlak van de hoogaars is druppelvormig met de ronde kant naar voren. Het vlak kan horizontaal zijn of voor- en achter opgebogen, soms over de gehele lengte gebogen.
Het voorschip steekt dieper dan het achterschip. beide stevens zijn recht. De voorsteven is sterk hellend, de achtersteven veel minder. 
Het boord bestaat uit drie overnaads gelegde boorden die breed openvallen. In het voor- en achterschip zijn nochtans kleinere delen gladboordig bevestigd. Het boeisel valt binnenwaarts, is smal aan de uiteinden en breed ter hoogte van het middenschip. Het berghout accentueert op het achterschip de S-vormige lijn van de onderkant van het boeisel. Meestal is de romp in het voorschip gedekt tot aan de mast.
Achter de mast volgt een open ruim en daarna de roef. Achter de roef is eenstuurkuip.
Sommige hoogaarsen hebben achter het ruim een volledige achterplacht. De tuigage is ofwel een spriettuig, ofwel een bezaantuig. De zwaarden zijn lang en smal. Het schip heeft een vissend roer, wat betekend dat men het roer kan verwijderen.

De benaming hoogaerts of hoogeers werd al in de 16e eeuw gegeven aan een vrachtschip van de Bovenmaas. Het was een open schip met een laadvermogen van 30 tot 40 ton. Er zijn aanwijzingen dat toen al een soort vissershoogaars bestond. In het begin van de 18e eeuw was de hoogaars in gebruik in Zuid-Holland; ze werd onder andere gebouwd te Kinderdijk. 
In de loop van de 19e eeuw ontwikkelde het schip zich in Zeeland tot een groter type, dat voorkwam in verschillende varianten naargelang de plaats van herkomst.



De voornaamste onderdelen van een hoogaars.

Verklaring van de cijfers: 1. - Ring voor kluiverboom; 2. - Muilboord (klapmuts); 3. - Rol;
4. - Schouw vooronder; 5. - Plecht (voorplecht); 6. - Luik vooronder; 7. - Vulling; 8. - Mastkaak;
9. - Mast (srijkend); 10. - Voordogt (mastdogt); 11. - Schot vooronder; 12. - Waterlijst; 13. - Klamp voor loopplank; 14. - Mastklos en -knie; 15. - Conterhamer; 16. - Zwaardklos en -knie; 17. - Klos;
18. - Dolboom; 19. - Knie; 20 . - Onderboord (kimboord); 21. - Middelboord; 22. - Bovenboord;
23. - Boeisel ( boei, boeiing); 24. - Gaffel; 25. - Boom; 26. - Luik achteronder of beun; 27. - Beun;
28. - Spuigat van beun; 29. - Schootoog; 30. - Schoottalie; 31. - Helmstok; 32. - Klossen van achterdogt of zeikbank; 33. - Stuurbak; 34. - Nagel (knecht); 35. - Luierbak (luiwagen);  36. - Klap;
37. - Klik (roerkop); 38. - Roerbeslag; 39. - Beslag helmstok; 40. - Roerklamp; 41. - Roertalie;
42. - Roerkoning; 43. - Vingerling; 44. - Klamp voor helmstok; 45. - Berghout; 46. - Beslag berghout; 47. - Zwaardloper; 48. - Las; 49. - Gistplank (op voorkant schild); 50. - Vloerlegger;
51. - Klampje voor vulling van vloer; 52. - Ligger (legger); 53. - Kalf; 54. - Vlak;
55. - Vloer (buikdenning, buikdelling); 56. - Halfmaan van zwaard; 57. - Zwaard; 58. - Schuifklamp;
59. - Sluitbeugel voor mast; 60. - Strijkklamp; 61. - Overloop voor fok; 62. - Kop van zwaard;
63. - Zwaardbout; 64. - Rust voor dirktalie; 65. - Spuigat voorplecht; 66. - Naad; 67. - Kluis.

ARNEMUIDENSE HOOGAARS.

Dit type hoogaars hoorde oorspronkelijk thuis te Arnemuiden en het werd en wordt daar ook gebouwd, de laatste jaren alleen voor de pleziervaart.
Het schip had een over de gehele lengte gebogen vlak, een iets steilere voorsteven en meer zeeg met nadrukkelijke vormen. Het oude spriettuig werd tot aan de verdwijning van het type, rond 1930, gevoerd. De lage paalmast torste een zware spriet met grootzeil en een topzeil.
Aan de ijzeren stag werd een stagfok gevoerd en op de kluiverboom een kluiver. Achter het grootzeil kon ook nog een aap of druil bijgezet worden.
Arnemuiders visten vooral garnaal in de zeegaten van Zeeland. De grootste schepen waren 14 meter lang,  De meest voorkomende afmetingen waren: lengte 12,5 meter,; breedte 4,2 meter en een holte van 1,6 meter.


KINDERDIJKSE HOOGAARS.

Dit is een klein hoogaars type dat in de 18e eeuw te Kinderdijk werd gebouwd en op de Zuid-Hollandse stromen gebruikt werd voor de visserij, het vervoer en de veerdienst tot het begin van de 20e eeuw. Dit soort hoogaars had een in de lengte gebogen vlak dat lancetvormig was en niet echt druppelvormig. Verder had het alle kenmerken van een hoogaars. De romp was geheel open, behalve een kleine voorplecht.
Achter de mastbank bevond zich een bun. De tuigage was een sprietzeil met grootzeil en vliegende fok op de voorsteven en een kluiver op de kluiverboom, waarvan de hiel tot tegen de mast reikte.
De zwaarden waren ronde rivierzwaarden. Dit type hoogaars had een lengte van 7,9 meter; breedte 2,08 meter en een holte van 0,67 meter.

THOLENSE HOOGAARS.

Deze werd gebouwd te Tholen en was wel de meest elegante en verfijnde hoogaars, die ook als jacht zeer in trek was.
Het vlak was voor en achter licht opgebrand. Hij stond bekend als een uitstekende zeiler. 
Het scheepje was vlakker gebouwd dan de Arnemuidense hoogaars en met een minder snellere voorsteven.
Het voerde een bezaantuig met grootzeil, stagfok en op de kluiverboom een kluiver.
Een bijzonder soort Tholense hoogaars was de Lemsterhoogaars of Lemmerhoogaars die gebouwd was met een rond achterschip (lemmergat of boeiergat). Het scheepje werd ook wel gatter genoemd. Gladboordig beplankt noemde men dit soort jachthoogaars.
De eerste Lemsterhoogaars liep van stapel te Willemstad op de werf 'Volharding'.


ZEEUWSVLAAMSE HOOGAARS.

Dit zijn hoogaarsen die op een paar werven in Zeeuws-Vlaanderen ( Paal, Kruispolder) gebouwd werden.
Zij hoorden thuis in de kleine havens van de Westerschelde.
Zij hadden meestal een geheel recht vlak, behalve aan de achterkant die licht opgebrand
was.
Zij waren getuigd met een bezaantuig.

JACHTBOOT.

Dit is een gladboordige of overnaadse hoogaars zoals ze in Nieuw-Lekkerland (Zuid-Holland) gebouwd werd. Ze hadden soms een rond voor- en achterschip.

OOSTDUIVELANDER.

Deze hoogaars wordt ook wel de platte duivelander genoemd, werd eveneens te Nieuw-Lekkerkerk, te Kinderdijk en te Alblasserdam gebouwd.
Zij werden vooral aan Oost-Duiveland geleverd en onderscheiden zich door hun gestrekte vorm en laag silhouet.

VIJFKNIEËR.

Dit is een klein soort hoogaars die slechts vijf knieën in het ruim had en dus korter was.
In Zeeland gebruikte men ook nog een ander soort kleine hoogaars, die enigszins op de Kinderdijkse gel;eek, maar geen bun had, geen voorplecht, geen spil, maar soms wel een klein roefje. 
Ze waren getuigd met een spriettuig.

Omstreeks 1930 werd er begonnen met de inbouw van een motor voor de voortstuwing en vele hoogaarsen werden rond die tijd omgebouwd.
De vissershoogaars verdween omstreeks 1950, maar leeft nog voort in een aantal jachten die de Nederlandse en Belgische wateren bevaren.


zondag 15 maart 2015

FEI-HSIÈH. WAT IS DAT?


CHINESE RIVIERPOLITIEBOOT.




Deze rivierpolitieboot uit China, van het jonktype, deed tot in de zestiger jaren van de 19e eeuw dienst op verschillende plaatsen van de Chinese rivieren om jacht te maken op onderduikers van het tolgeld.

  
De schepen werden ook bij reddingswerk gebruikt. Het waren platboomde schepen met een oplopend vlak voor- en achterschip en sterk afhankelijk van de windrichting bij het uitoefenen van hun functie.
Op het achterschip stond een hut en op het voorschip was een stuk geschut opgesteld. De afmetingen waren: lengte 65 voet, breedte 17 voet en een holte van 6 voet. 
Door de opkomst van de dieselmotoren verdwenen deze schepen uit het rivieren beeld en maakten plaats voor snelle  gemotoriseerde patrouillevaartuigen.


zaterdag 14 maart 2015

FELOEK. WAT IS DAT?

VEEL VOORKOMEND OP 

DE MIDDELLANDSE ZEE.

(Links; Spaanse feloek.)

Het is een kustvaarder van de Middellandse Zee, ook genoemd in het Portugees 'fallua'; in het Spaans falla; in het Frans 'felouque; in het Italiaans 'feluca'; in het Turks 'fulouqa; in het Russisch 'féliouka'; en in het Egyptisch 'faluka'.


De klassieke Franse en Italiaanse feloek is een soort lichtgebouwde galei die vroeger zowel geroeid als gezeild werd. De oudere typen hadden een , apostis, gangboord met verschansing waarop de roeiriemen steunden.
De feloek had ook hetzelfde ver uitstekende scherpe als de galjoen. Het achterkasteel stak een stuk over het achterschip uit. Deze schepen waren hoogstens 50 voet lang.
Zij voerden licht naar voren hellende masten met latijnzeilen. Zij werden geroeid met ten hoogste 12 riemen per boord. 
Oorlogsfeloeken waren bewapend met twee boegstukken en 32 draaibussen. Op dek waren aan iedere zijde 12 luiken. Op de scheerstokken van deze luiken konden de roeiers zitten.

                                                               ( Siciliaanse feloek.)

In de 18e eeuw hadden deze schepen ook een roer aan de voorzijde. De latere Spaanse feloek miste het lange galjoen maar had een lichtgebogen steil staande voorsteven die hoog boven het water uitstak. Het latijnzeil van de bezaanmast was aanzienlijk kleiner dan het grootzeil. Een vliegende fok werd op een lange boegspriet bijgezet.
Sommige feloeken hadden drie masten met latijnzeilen. Zij hadden 20 en meer roeibanken per boord en op het achterschip was een hut gebouwd.
Soortgelijke feloeken met drie masten werden in de 19e eeuw gebruikt door Griekse kapers.
Behalve de drie latijnzeilen en een fok werd ook nog een vierkant topzeil gevoerd, waardoor het tuig op dat ven een chebeck ging gelijken.
De Egyptische 'gaiassa' wordt ook wel faluka genoemd. Het waren vroeger de handelsschepen van de Nijl. Heden ten dagen zijn de feloek omgebouwd voor de Nijl vaart met passagiers bij Aswan.


                                              ( Egyptische feloek op de Nijl bij Aswan.)


donderdag 12 maart 2015

CHEBECK . WAT IS DAT?



OORSPRONKELIJK ARABISCH.

Een Chebeck is een zeilschip, waarvan het type en de benaming naar alle waarschijnlijkheid stammen van de Arabische zeevaarders.



Het waren de chebecks van de Barbarijnse zeerovers die in de 17e en 18e eeuw gevreesd werden.
Bij de Europese marines waren het de Fransen en de Spanjaarden die dit type schip in het midden der 18e eeuw invoerden, later gevolgd in verschillende andere landen, onder andere in Rusland.


                                                           ( Spaanse Chebeck.)

Behalve als zeerovers- en oorlogsschip kwam het type ook voor als vissersschip en koopvaardijschip.
Chebecks hadden nooit meer dan een paar honderd ton waterverplaatsing en waren scherp van lijnen.
Ze waren voorzien van drie masten, waarvan de voorste opvallend schuin naar voren overhelde.
Oorspronkelijk waren deze schepen getuigd met latijnzeilen, later ook gedeeltelijk met razeilen.
Het waren uitstekende snelle zeilers. Toch deden ze veel aan het roeischip de galei denken, niet in het minst door de scherpe puntige voorsteven.
De riemen echter waren niet meer dan een hulpmiddel als de wind wegviel.
Vóór het midden van de 19e eeuw verdwenen deze sierlijke scheepjes van de zeeën.





woensdag 11 maart 2015

GAFFEL, GAFFELTUIG EN GAFFELSCHIP; WAT IS DAT?

                          ALLES VOOR DE WIND VOORTSTUWING.


GAFFEL.

Een recht of gebogen rondhout voor het op- en uithouden van het bovenlijk van een vierhoekig langsscheeps zeil, een gaffelzeil, achter de mast.
Het is genoemd naar het meestal gaffelvormige uiteinde, de klauw, waarmee hij om de mast grijpt, daartegen steunt en waaromheen hij zowel in horizontale als verticale vlak kan zwaaien.
Bovendien kan de klauw verticaal langs de mast glijden als de gaffel gehesen of gestreken wordt.

Verklaring cijfers gaffeltuig van een jacht; 1. - Gaffel; 2. - Nokval of piekval; 3. - Galg of hanepoot; 
4. - dirk of kraanlijn van de boom; 5. - Klauw; 6. - Klauwval; 7. - Rakbanden.

Dit gebeurt soms met één, doch meestal met twee vallen, respectieveleijk klauwval en piekval ( ook binnen- en buitenval) geheten. In plaats van met een klauw, kan het uiteinde van de gaffel ook op een andere wijze aan de mast bevestigd zijn, bijvoorbeeld door een lummel waarvan de lummelpot of bus al of niet langs de mast op en neer kan glijden via een rail met slede.



Rechts het gaffeltuig van een 18e eeuws fregat met tegen de mast en de gaffel gegeid boomzeil.
Verklaring van de cijfers: 1. - Strijkende gaffel;
2. - Klauwval; 3. - Nokval of piekval;
4. - Dirk van de boom; 5. - Boom of giek;
6. - Schoot; 7. - Masthoepels; 8. - Hanepoot.
Geheel rechts: 1. - Klauw van de gaffel;
2. - Rakband met kloten.

Is de lummel vast op de mast bevestigd, dan is de gaffel niet strijkbaar. ( vaste of staande gaffel).
Dit is bijvoorbeeld het geval bij de bezaan van grote vierkant getuigde schepen. Het zeil wordt dan meestal geborgen door het tegen de mast te halen, waartoe het niet op de gaffel gemarld of genaaid is, doch met rakbanden daarlangs kan worden in- of uitgehaald. Ook strijkbare gaffels werden, vooral wanneer zij lang en zwaar waren, wel vast of 'staand' gevaren, dat wil zeggen men streek ze alleen als het zeil moest worden aan- of afgeslagen, doch niet als het normaal werd bijgezet of geborgen. Dat laatste gebeurde door het met gordings tegen de gaffel en met geien tegen de mast te trekken. Hiertoe zijn op de gaffel aan aantal gordingsblokken genaaid of met sluitings gesloten op de ogen die zich bevinden aan ijzeren banden welke om de gaffel zijn gekrompen. Deze dienen ook tot de bevestiging van vallen, eventueel uithalers voor een broodwinner, vlaggenlijn of geerden. De geerden dienen om lange gaffels enigermate in bedwang te houden, dat wil zeggen om het te ver uitwaaien ervan te voorkomen.
Op moderne schepen is ook wel een kleine vaste gaffel aanwezig aan de achtermast en/of de seinmast, voor het voeren van vlaggen.


GAFFELTOPZEIL.

Verklaring van de cijfers:
1. - Hijs; 2. - Schoothoorn; 3. - Hals; 4. - Masthoepels;
5. - Geitouw, neerheler; 6. - Schoot; 7. - Klauwval;
8. - Piekval.

Het gaffeltopzeil is het zeil dat boven de gaffel aan d steng wordt gehesen.
Om te voorkomen dat na het wenden het zeil tegen de peikval zou schavielen werd na deze manoeuvre de hals van het zeil over de peikval gelicht.
De schoot van dit zeil loopt door een schijf in de schildpad, die aan de nok van de gaffel is genageld.

GAFFELTUIG.

De langsscheepse tuigage waarbij achter de grote mast een vierhoekig zeil aan een gaffel wordt gevoerd. Deze gaffel wprdt meestal gehesen aan twee vallen, het klauwval dat vlak bij de klauw is bevestigd, en het nokval of piekval dat nabij de nok aangrijpt. Voor een gelijkmatige verdeling en goede richting van krachten op de gaffel, is de piekval meestal op een spruit of hanepoot aan de gaffel gestoken.
Het gaffeltuig schijnt bij de binnenvaart in het begin van de 17e eeuw te zijn ontstaan, voornamelijk uit het spriettuig, waarvan de zware vaste spriet werd vervangen door een kortere en minder zware gaffel. Op zeeschepen ontwikkelde het latijnse bezaanzeil zich tegen het einde van die eeuw eveneens tot een gaffelzeil. Bij dit 'staand' gaffeltuig werd het onderlijk van het zeil aanvankelijk nog niet uitgehouden door een giek of zeilboom. Het zeil werd geborgen door het tegen gaffel en mast te geien, waarbij het echter veel windvang bleef bieden. Dot nadeel en de invoering van de giek die het zeil een betere stand kon geven, leidden op kleinere vaartuigen tot het invoeren van strijkende gaffels zoals die heden ten dage nog op jachten voorkomen.
Het gaffeltuig raakt hier in onbruik en is grotendeels vervangen door het torentuig, dat over het algemeen een beter aerodynamisch effect heeft, behalve misschien voor de rankere schepen op ruimere koersen. Varianten op het gaffeltuig zijn het bezaantuig en het houarituig.


GAFFELZEIL.

Oud gaffelzeil.

Verklaring van de cijfers:
1. - Rak.
2. - Nok of hijs.
3. - Hals.
4. - Schoothoorn.
5. - Verdubbeling.
6. - Bovenlijk.
7. - Verdubbeling.
8. - Voorlijk.
9. - Verdubbeling met stootbout of schootlap en 
       nokbout of noklap.      
10. - Achterlijk.
11. - Verdubbeling.
12. - Onder- of voetlijk.
13 t/m 15 - Eerste, tweede en balansrifband.
16 t/m 19 - Leuvers van rak, nok, hals en schoot.
20. - Rifleivers of rifmotten.
21. Rifseizings.

Het gaffelzeil is een vierhoekig langsscheepszeil, op- en uitgehouden door een gaffel achter de mast.; op zeeschepen ontstaan door inkorting van het latijnse bezaanzeil. Aanvankelijk werd het nog aan de lange roede gevoerd, in de 18e eeuw werd dit rondhout ingekort tot de mast en voorzien van een klauw of gaffel die tegen de mast steunde.
In de 17e eeuw kwam het reeds voor op katschepen, vissersschepen, binnenschepen en andere kleinere vaartuigen alwaar het voornamelijk, uit het spriettuig schijnt te zijn ontstaan.

( Gaffelzeil; bezaan aan roede op een 18e eeuws fregat.)

Het meest voorkomende gaffelzeil  had over het algemeen een langwerpig trapeziumvorm met evenwijdig voor- en achterlijken. De schoottalie stond op het achterlijk en de schothoorn vast.
Op het achterlijk stonden eveneens geien vast om het zeil dicht en samen te trekken tegen de mast en gaffel zonder de laatste te strijken.
Een gaffelzeil werd later van een zeilboom voorzien en dan boomzeil genoemd.
De juiste benaming hangt af van de plaats en het gebruik van dit zeil. Zo noemt men het gaffelzeil aan de laatste mast van een drie- of viermastschip bezaan. op een brik heet het dan 'brikzeil', op een schoener 'schoenerzeil' en op een koter 'kotterzeil'. In de 19e eeuw werden ook tussen de masten gaffelzeilen gevoerd meestal zonder, maar ook met boom. Men kende het 'achterbarkzeil' aan de grote mast van een bark en het grootgaffelzeil aan de grote mast van een volschip. Op de zelfde wijze had de fokkemast een 'voorbarkzeil' of een 'fokkegaffelzeil'. Op een viermastschip kende men aan de kruismast een 'kruisgaffelzeil'.

GAFFELSCHOENER.

Gaffelschoener.

Verklaring van de cijfers:
1. - Grootzeil.
2. - Schoenerzeil.
3. - Stagfok.
4. - Kluiver.

Een gaffelschoener is een schip met 2 tot zeven masten, waarop alleen gaffelzeilen en stagzeilen worden gevoerd.
De masten van deze schepen hebben geen stengen en daarom worden zo ook wel 'baldheaded' schoeners genoemd.


GAFFELTOPZEILSCHOENER.

Gaffeltopzeilschoener; aan de stengen het voorgaffeltopzeil en het grootgaffeltopzeil.

Het is een schoener met twee of meerdere masten, waarop gaffelzeilen, gaffeltopzeilen en stagzeilen worden gevoerd.
De masten van dit soort schip zijn verlengd met een steng.






STATENJACHT ´DE UTRECHT´.

( 'De Utrecht' met een staand gaffeltuig en een ratopzeil.)

Het Statenjacht 'De Utrecht' is een authentieke reconstructie van een historisch zeilschip, gebouwd op basis van originele tekeningen uit 1746.
De rijk versierde Statenjachten werden in de 80-jarige oorlog ingezet voor het vervoer van de bevelhebbers van de Hollandse vloot.
Na de voltooiing van het schip in 2003 vonden 90 jongeren die bij de bouw waren betrokken  een reguliere baan.


( 'De Utrtecht' met een spriettuig uitgerust.)

De Utrecht is tegenwoordig beschikbaar voor diverse gelegenheden en bijeenkomsten.
Te Muiden als een trouwlocatie in de periode van mei tot oktober en verder voor vaarten op het IJsselmeer.