vrijdag 24 oktober 2014

SATERKOP AAN HUISGEVEL.

WAAROM EEN DUIVELSKOP AAN JE GEVEL.

DE OORSPRONG.


Sater of satyr ( Oudgrieks: satyros) stammen uit de Griekse mythologie. Ook de Etrusken en de Romeinen kenden deze figuren.
Een sater is een soort halfgod die in de bossen en de velden leefde en Dionysus, ook bekend onder de naam Bacchus, vergezelde op zijn uitgelaten drinktochten. 

Een sater werd afgebeeld met een platte neus, spitse oren die op kleine horens lijken bokkenpoten en een korte staart. Zij zijn doorgaans zwaar behaard en dragen een baard.
Zij vergezelden de god van de drank al dansend, zingend en muziek makend op een fluit. Het waren wellustelingen.
Buiten dat zij net als hun god liefhebbers van drank, waren ze ook liefhebbers van vrouwen en werden ze vaak bij voortplanting daden afgebeeld met een enorm geslachtsdeel, als een vruchtbaarheidsgeest.





Een sater staat bekend om zijn lust voor wijn en het verleiden van nimfen en efeben. Instinct ging boven rede, anarchie boven orde, overvloed boven matigheid. Zij symboliseren wellust en vervoering net als de vrouwelijke volgelingen van Dionysos.

ALS GEVELSTEEN.

Op veel panden uit de 16e en 17e eeuw vindt je op de hoeken van de gevel of geheel boven in de gevelspits een afbeelding van een saterkop.
Men plaatste deze afbeeldingen omdat ze in het menselijk bijgeloof boze geesten zouden weren.

Het is nu de vraag tegen welke boze geesten men deze afbeelding plaatste. Het kan zijn tegen ziekte, slechte handel, diefstal en brand. Later werden deze afbeeldingen door de kerk verboden en kwamen de daarvoor aangewezen heiligen voor in de plaats. Het is een blijft bijgeloof.


( De twee saterkoppen aan weerszijden van het wapen van Alkmaar, de keizerskroon en het wapen van Hoorn aan de gevel van het pand 'De Keizerskroon' Mient 31 te Alkmaar.)

Note: In veel plaatsen in het zuiden van ons land, is het na de Carnaval de gewoonte om de god van de drank Bacchus te verdrinken in een rivier of een beek.

donderdag 9 oktober 2014

ALKMAAR HET OUDE CENTRUM VERKENNEN.

DE STAD WAAR DE 'VICTORIE' BEGON.

Zegt men, "Alkmaar", dan wordt er gelijk aan kaas gedacht, maar de stad kent een belangrijk stuk geschiedenis uit de 80-Jarige Oorlog welke duurde van 1568 tot 1648. Gedurende deze oorlog was er een Twaalf Jarig Bestand van 1609 tot 1621.

VICTORIE.

 Het is 12 juli 1573 en de Spaanse troepen veroveren de stad Haarlem. Ondanks de beloften van don Frederik de zoon van de hertog van Alva; "Ik garandeer lijfsbehoud", werd de stad geplunderd en werden het merendeel van de bewoners vermoord.
De bevolking welke ook in opstand was gekomen tegen de Spaanse bezetter wist wat hun te wachten stond toen Alva Frederik met 16.000 veteranen naar de stad stuurde.
In een brief aan de Spaanse koning schrijft hij; "Mijn besluit staat vast geen enkel schepsel in leven te laten. Voor elke keel zal het mes getrokken zijn!" 

Op 12 april 1573 besloot het bestuur van Alkmaar het vuilnis van de stad niet meet te verpachten, maar zelf te gebruiken voor het versterken van haat vestingwerking. Voor de aanleg van deze hoge bastions waren veel aarde, puin, modder en vuilnis nodig. Slechts in het zuidwesten van de stad waren deze bastions gereed toen de Spanjaarden op 21 augustus 1573 hun beleg begonnen voor de stad. De vestingwerken aan de noordzijde bleven zoals ze in 1551 waren aangelegd.
Nog net op tijd heeft de stad op bevel van de prins van Oranje een klein garnizoen geuzen onder Cabiliau en Ruichaver binnen de stadsmuren gehaald. Nauwelijks 2500 weerbare mannen, maar gesteund door een volledig strijdbare burgerij, staan gereed om de Spanjaarden te ontvangen.
Don Frederik sluit de stad aan alle kanten in. De strijd begint: Alkmaar geeft een beeld van onverzettelijkheid, van geloof, van volharding en voorbeeldige moed.
Op 23 augustus komt het verzoek uit Alkmaar om de dijken door te steken. Van 25 augustus tot half september voeren de Spanjaarden schijn aanvallen uit om de Alkmaarders in verwarring te brengen.


18 september: een kannonade van 12 uur, 3 uur in de middag: een storm aanval op alle poorten van de stad.
Luidt klinkt de kreet: "help nu u zelf, zo helpt u God".
De gehele burgerbevolking staat op de wallen en houden de aanvallende Spanjaarden met brandende takkenbossen en kokend teer op een afstand. Men blijft elkaar opzwepen de strijd niet te staken.


Vrouwen aangevoerd door de kenau van Alkmaar, Trijn Rembrands, vechten naast de mannen om de vijand af te slaan. Driemaal stormen de Spanjaarden toe en driemaal deinzen ze terug. Als na vier uren verbitterde gevechten en de nacht valt, liggen er 1000 gesneuvelde Spanjaarden rond de stad. Slechts 13 burgers en 24 soldaten van het Alkmaars garnizoen zijn gebleven in de strijd.
De volgende dag beveelt Frederik tot een nieuwe aanval, maar de Spaanse soldaten weigeren, daar ze geloven dat de duivel aan de zijde van de Alkmaarders mee strijd. Hoe anders kan een half verhongerd volk een Spaans leger weerstaan en dan ook nog vrouwen die vechten als mannen.
Op 23 september worden uiteindelijk de dijken doorgestoken en moeten de Spanjaarden vluchten voor het water in een zwaar modderig landschap waardoor zij veel zwaar oorlogsmateriaal moeten achterlaten.

Op 8 oktober 1573 breekt don Frederik uiteindelijk het beleg van de stad op. "Alkmaar heeft stand gehouden" gaat het nieuws over het Hollandse land. "Van Alkmaar begint de victorie". Nog geen vierdagen later Verliezen de Spanjaarden de slag op de Zuiderzee en wordt Alva's stadhouder Bossu gevangen genomen. De 8ste oktober wordt nog jaarlijks gevierd in Alkmaar.


HET WAPEN EN DE VLAG VAN ALKMAAR. 











Alkmaar is in de loop van de 11e en 12e eeuw uitgegroeid tot een nederzetting waar veel handelsactiviteiten plaats vonden en waardoor het inwoners aantal gestaag groeide. Door de rijkdom van de nederzetting kreeg deze regelmatig te maken met strooptochten van de West-Friezen. Om zich hier tegen te kunnen beschermen verzocht  men op 11 juni 1254 aan de graaf van Holland, Willem II, om stadsrechten. Dit hield in dat men gerechtigd was om stadsmuren en grachten aan te leggen ter verdediging en tevens het recht om markt te houden. Deze stadsrechten werden dan ook die zelfde dag toegekend. Zoals de vertegenwoordigers spraken: "We vertrokken naar Leiden uit een dorp en komen in een stad thuis".

Het wapen van de stad Alkmaar werd vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 28 december 1956. In het midden van een rood schild staat een zilveren burcht. Het schild wordt vastgehouden door twee klimmende leeuwen en is gekroond met een lauwerkrans. Onder het schild een wit lint met de Latijnse spreuk Alcmaria Victrix. (Alkmaar Victorie).
Het huidige wapen is gebaseerd op het wapen dat in 1254, toen Alkmaar stadsrechten kreeg van Graaf Willem II van Holland. De burcht is de Torenburg een 13e eeuwse dwangburcht in Alkmaar uit die tijd.

De vlag van de stad Alkmaar werd door de burgemeester en wethouders van de stad op 27 augustus 1920 aangenomen als stadsvlag. Op 26 februari 2002 werd de vlag opnieuw officieel aangenomen als de gemeente vlag.
De vlag wordt als volgt omschreven: "De vlag van Alkmaar zal bestaan uit drie witte en drie rode banen om en om, in de linkerbovenhoek een rood veld ter grootte van drie banen, waarop een getrouwe weergave van de burcht uit het officiële stadswapen van de stad Alkmaar.  


EEN STADSWANDELING MET BEZIENSWAARDIGHEDEN.

( Onderstaande afgebeelde kaart geeft de route weer welke ik met u ga afleggen door het oude centrum van Alkmaar.)


Vanaf het N.S.station steken we de Stationsweg over en wandelen via de Spoorstraat in de richting van de Geestersingel. We slaan linksaf de Geestersingel op en volgen die tot de Helderseweg, waar we rechtsaf slaan. We volgen nu de Helderseweg, steken de Singelgracht over, en slaan de tweede straat rechts in, de Paternosterstraat, en wandelen deze uit tot we op het Canadaplein uitkomen.


HET STEDELIJK MUSEUM.


Op het Canadaplein ligt het Stedelijk Museum en de Bibliotheek van Alkmaar. Het is een ideale plek om de geschiedenis van Alkmaar te leren kennen. Er zijn twee zal;en over "De Gouden Eeuw" van Alkmaar (16e en 17e eeuw).
In een van de zalen hangt ook een schilderij over de bestorming van Alkmaar van de schilder J.W.A. Hilverdink. Hierop staat Trijn Rembrands afgebeeld. Zij viel op omdat ze met de mannen samen op de stadswallen zou hebben gestreden en van de vrouwen de meeste moed vertoonde bij de verdediging van de belegerde stad door de Spanjaarden.
Helaas is over haar bestaan weinig echt bewijs en is het verhaal waarschijnlijk ingegeven door de wens een heldin te hebben zoals de Haarlemse Kenau Simonsdr. Hasselaer. 
Ook over de 19e en 20e eeuw is er veel te vinden, waaronder een afdeling met historisch speelgoed. 





HET OUDSTE HUISJE.


We verlaten het Canadaplein en wandelen de Gasthuisstraat in en slaan linksaf de Geest op.
Aan de Geest ligt een klein doodlopend straatje Kanis, waarin een van de oudste stenen huizen van Alkmaar is gelegen. Het pand dateert uit 1540 en is een eenvoudige burgerwoning.
Kenmerkend voor die tijd is de pui met de kleine ruitjes, luiken en een luifel. Vroeger gebruikte men de onderste luiken ook wel om koopwaar op uit te stallen, welke werden verkocht vanuit de huiskamer.
Het straatje ontleent zijn naam aan de Kanis, een platte op de rug gedragen van twijgen gevlochten korf, waarmee veel bewoners van deze straat uit bedelen gingen voor hun dagelijks voedsel.
We vervolgen onze wandeling over de Geest en gaan verder via de Lindengracht. Voor we rechtsaf slaan naar Ritsevoort passeren we de oudste herberg van Alkmaar, "Het Gulden Vlies".


HET SPLINTER HOFJE.



Op de hoek van de Lindengracht en de Ritsevoort ligt het 'Provenhuis' van Margareta Splinter, een hofje.
Margareta Splinter was van zeer goede komaf en haar vader was schatkistbewaarder van de Staten Generaal. Margareta was getrouwd in 1613 met een hoge beroepsmilitair Floris van Jutphaas welke overleed in 1644. Margareta overleed in 1645 en het echtpaar was kinderloos gebleven.
Margareta had reeds voor de dood van haar echtgenoot besloten dat ze een hofje wilde stichten en legde dit vast in haar testament.
Het moest een onderkomen worden voor acht ongetrouwde vrouwen zonder kinderen, die tot armoede waren vervallen.
Hier gelde de regel: Op tijd thuis, zondags naar de kerk en geen mannen over de vloer. Dit zijn nu al eeuwen de huisregels, waar de vrouwen die er nu nog wonen zich ook aan dienen te houden.



Het hofje, men sprak van een 'provenhuis', is in 1646 nieuw gebouwd en in 1648 betrokken de eerste bewoners het nieuwe hofje. Bij Splinter lag het bedrag van de gratis 'prove' een stuk hoger dan bij de ander hofjes in de stad en de inwoonsters kregen maar liefst 100 gulden per jaar als toelage.
Tegenwoordig betalen de bewoonster er gewoon hun huur. Vanouds werd het hofje bestuurd door een college van regenten en een familie Van Foreest moest er zitting in hebben. Dit is nog steeds het geval en wordt er recht gedaan aan het testament van Margareta uit 1648. 
Achter de groene houten deur bevindt zich een kleine overdekte doorgang welke leidt via een tweede deur, naar een prachtige intieme binnenplaats met een prachtig aangelegde tuin. Stap binnen in het verleden!

We wandelen nu de Ritsevoort uit en passeren de Vrouwenstraat. Hier woonden in de 16e eeuw de dames van lichte zeden en werd in die tijd gewoon de Bordeelsteeg genoemd.


DE MOLEN VAN PIET.



Aan het einde van de Ritsevoort ligt op een belt de 'Molen van Piet'. De officiële naam is 'Molen de groot'.
De huidige naam is ontstaan daar familie Piet de molen al generaties in beheer heeft.
De ronde stellingmolen is in de 18e eeuw gebouwd voor het vermalen van graan. Voor die tijd stond er een houten standaardmolen uit 1769.
Op oude stadskaarten is duidelijk te zien, dat er vroeger wel 10 molens op de stadswallen stonden. Al de overige molens zijn in begin 19e eeuw gesloopt. Dit is de enigste molen uit de binnenstad die bewaart is gebleven.

Waar nu de brug is over de Singelgracht stond vroeger de Kennemerpoort.
Aaan het einde van Ritsevoort slaan we linksaf naar Kennemerpark. Door dit park loopt een wandelpad over de vroegere stadswallen die nog dateren uit de strijd tegen de Spaanse bezetter. We volgen dit pad, steken de Zilverstraat over en slaan bij de Baangracht linksaf.
Op de hoek van de Baangracht en de Oudegracht ligt de Luthersekerk. Naast de kerk op een pand een fraaie gevelsteen uit 2000.



                                  ( Orgelpijpen, zwaan en notenbalk met muzieknoten B A C H.)

DE OUDEGRACHT.


Ook een wandeling over kaden van de Oudegracht is de moeite waard als je gevelstenen wil bezichtigen.





We steken de Oudegracht over via de brug naar de drooggelegde Ketelgracht, slaan linksaf en volgen de kade van de Oudegracht om de derde straat recht in te slaan, de Hofstraat.




We lopen de Hofstraat door en slaan rechtsaf naar de Laat en weer linksaf de Kapelsteeg in waar de Kapelkerk ligt.
De kapelkerk uit circa 1500 werd in 1760 grotendeels verwoest door brand. Nog geen jaar later was men weer bezig met de wederopbouw van de kerk.
De kerk is alleen te bezichtigen op vrijdag tijdens het kaasmarktseizoen.

(Gevelsteen Kapelsteeg 4 'Landwijf'.)

Na de Kapelsteeg slaan we rechtsaf naar Verdronkenoord. Aaan het einde van Verdronkenoord steken we de brug over bij de Bierkade en zien de oude accijnstoren liggen.


DE ACCIJNSTOREN.




De accijnstoren werd gebouwd in 1622 en is een vierkante stenen toren met natuurstenen banden. De toren is voorzien van een luidklok. Goederen die bestemd waren voor Alkmaar (toen nog het oude centrum) moesten hier worden aangegeven en moest de leverancier er belasting over betalen. Deze belasting was een belangrijke inkomsten bron voor de stad.
De toren werd in 1924 vier meter verplaatst vanwege de verbreding van de Bierkade. Waar de toren nu staat was ooit een draaibrug welke in 1903 werd vervangen door een ophaalbrug. Ook deze verdween door het toenemende verkeer.


DE VISMARKT.


Tussen de Hekelstraat en de Mient aan het einde van Verdronkenland ligt de oude vismarkt van Alkmaar.
Ook nu nog is deze in gebruik voor de verkoop van vis en heeft men er ook de gelegenheid om vis te eten.



Reeds in de 16e eeuw had Alkmaar een vismarkt. Via de deuren in de muur werd de zoetwatervis in gevlochten korven in het water van de gracht vers gehouden.
Op het dak van de galerij aan de grachtkant prijken links en rechts de beeldjes van een visser en een visvrouw.


                  

Een grappig verhaal is, dat hier op een dag van een vismarkt er een ooievaar verscheen. Deze ooievaar was gekortwiekt en in dienst van de gemeente en droeg een ambtsketting om zijn nek. De taak van de ooievaar was het op eten van het visafval. Met recht loon in natura.


DE LEEUWENBURG, DE KROON EN DE ZIJDEWORM.


We slaan nu de Mient in waar drie fraaie historische panden liggen ieder met zijn eigen verhaal.
Op Mient 23 ligt het pand de Leeuwenburg.


De rentenier Leeuwenburg kocht het pand in 1702 van de erven van Gerrit Floriszoon Wildeman, de stichter van het Wildemans hofje. In 1707 liuet Leeuwenburg de gevel verbouwen en hierdoor kwam deze voor het er naast gelegen pand ver vooruit te steken. De gevel is in de stijl van de barok of Lodewijk XIV- stijl opgetrokken.
In 1737 krijgt Leeuwenborg een nieuwe buurman, Sijbrant van Haaften, en deze stoort zich er aan dat de gevel voor zijn gevel uitsteekt, zo,n 44 cm.
Van Haaften diende een klacht in bij de gemeente en deze was van mening dat Leeuwenburg zich niet aan de veranderde bouwtekeningen had gehouden.
Van Haaften werd in  zij gelijk gesteld. Op de top van de gevel had Leeuwenburg zijn naam willen uitbeelden met twee leeuwen. Om nu zijn ergernis te koelen op het stadsbestuur liet hij het wapen van de stad Alkmaar afbeelden met twee leeuwen die onelegant met hun achterwerk naar het Alkmaarse stadswapen staan, in plaats dit met hun poten te steunen zoals bij stadswapens gewoon is.


Op Mient 31 ligt het pand 'De Kroon' met een rijk versierde gevel uit de 17e eeuw.
Het is een verhoogde halsgevel met fraai versierde klauwstukken voorstellende twee vrouwen, links 'De Hoop' en rechts "het Geloof'.
In het midden tussen de vensters een fraai siersmeedwerk en boven de pui in het midden de keizerkroon met links het wapen van Alkmaar en rechts het wapen van Hoorn en op de hoeken de kop van een sater. 

Het pand nummer 33 "De Zijdeworm' heeft een wat eenvoudige gevel en dateert uit 1672. het was eigendom van een zijde handelaar, wat weergegeven wordt door de gevelsteen.



Na de Mient slaan we rechtsaf naar de Fnidsen. Aan de Fridsen tussen de Nieuwstraat en de Sint Annastraat ligt enigszins verscholen de Remonstrantse kerk.



DE REMONSTRANTSE KERK.



Achter een houtenpoort met een smeedijzeren hekwerk er op, met daarin de letters R en K, ligt de schuilkerk uit 1658. Hier kwamen de gelovigen vroeger in het geheim bijeen. De monumentale gevel met twee klokgevel huisjes stamt uit 1728
Het gebouw was oorspronkelijk een graanschuur.
De kerk met een prachtig interieur en een houten tongewelf met rondom galerijen die rusten op houten zuilen is alleen te bezichtigen op vrijdag tijdens het kaasmarktseizoen. 
De grenen vloer wordt nog steeds zoals vroeger met fijn zand bestrooid.

We slaan nu linksaf de St.Annastraat in en voor de brug aan de Luttik Ouddorp weer linksaf. We slaan nu rechtsaf naar de Appelsteeg waar op de hoek het "Huis met de Kogel" ligt.




HET HUIS MET DE KOGEL.


Het 'Huis met de kogel' werd in 1573 tijdens het beleg van Alkmaar, zwaar onder vuur genomen door de kanonnen van de Spanjaarden. Het pand is op een muur na geheel uit hout opgetrokken.
De kogel afgevuurd door een Spaan kanon ging door het raam van het huis van de toenmalige bewoner Jan Arendszoon, een mandenmaker. De kogel van 40 pond verbrijzelde de stoel waarop een meisje aan het spinnewiel zat te werken. Het was een wonder dat niemand van de zeven aanwezigen personen gewond raakte.
De kogel is later na het herstel van het huis, wat op de rekening vermeld stond als reparatie van "een gat" in de linkerhoek van de gevel geplaatst als aandenken.
De houten gevel is geheel overstek gebouwd. Elke verdieping is op consoles geplaatst. Daar het huis van onderen smaller is dan van boven staat het op een kleiner stuk grond, waardoor de eigenaar minder grondbelasting diende te betalen.


HUIS MET DE SCHOPJES.














We slaan even rechtsaf de Luttik Ouddorp op. Hier staat op nummer 110 het "Huis met de schopjes".
Het pand dateert uit 1609 en heeft één van de mooiste trapgevels van Alkmaar. Het was het onderkomen van de Alkmaarse koekenbakkers en de fraaie gevelsteen boven de winkelpui herinnert hieraan. De luiken van de winkelramen konden worden uitgeklapt en daar werden te goederen uitgestald die te koop waren.
Boven de vensters zijn fraaie bogen aangebracht met in iedere boog een kopje. De ramen die nu luiken hebben waren vroeger deuren van het boven de winkel gelegen pakhuis. Met behulp van de hijsbalk werden de goederen naar de bestemde etage gehesen.
We lopen nu even terug en slaan rechtsaf de Kooltuin in.



De huizen staan met hun achterzijde in het water. Een vindingrijke ondernemer biedt hier tegen vergoeding een vaart door de kanalen van Alkmaar aan in een (Venetiaanse)  gondel. Ook aan de kade zijde van Kooltuin liggen fraaie geveltjes.
Aan het einde van de Kooltuin slaan we linksaf de Dijk op en even later weer linksaf de Voordam op.


HET BIERMUSEUM.

  










Aan de overzijde van de brug naar de Peperstraat ligt een pand met een muurschildering er op.
Het is het Biermuseum 'De Boom'.

In dit pand was in de 17e eeuw een bierbrouwerij gevestigd. Hier krijgt men een overzicht te zien van de geschiedenis en het brouwproces van bier in Nederland. Mocht u dorst hebben gekregen dan kunt u terecht in het proeflokaal dat in de kelder is gelegen. Proost!

WAAGPLEIN MET KAASMARKT EN DE WAAG.



Na onze dorst gelest te hebben wandelen we naar het Waagplein.
Op dit plein wordt in het seizoen op vrijdag de kaasmarkt gehouden die veel buitenlandse toeristen trekt. Dit is vanaf de eerste vrijdag in april tot en met de eerste vrijdag in september van 10.00 tot 12.30 uur.
De kaasmarkt vond voor het eerst plaats in 1622. Sinds 1365 werden er al kazen gewogen in Alkmaar. Deze kazen werden vroeger per boot via de grachten aangevoerd.
De kazen worden vanaf zeven uur in de ochtend naar de markt gebracht. Om tien uur komen de keurmeesters in actie om de kwaliteit en de smaak van de kazen te keuren. Zij doen dit door met een holle boor een stukje binnen uit de kaas te halen. Hierna wordt dit dan betast, geroken en geproefd om uiteindelijk de kwaliteit vast te stellen.
De verkoop van de kazen gaat net zo toe als de verkoop van vee, want door middel van 'handjeklap' wordt de prijs onderling overeen gekomen. Als de prijs is bezegeld brengen de kaasdragers de kaas naar de Waag waar deze wordt gewogen. 


De kaasdragers behoren tot een bepaald veem, een vennootschap, en zijn te herkennen aan de kleur van hun strooien hoed. Het huidige kaasdragersgilde leeft nog steeds de oude tradities na.
De leider van de kaasdragers is herkenbaar aan zijn oranje gekleurde hoed en wordt 'paps' genoemd.
De kaasdrager met de bijnaam 'de beul' houdt bij welke dragers te laat komen en deelt dan ook een boete uit. Ook vloeken tijdens het werk is verboden.
Mocht er tijdens het dragen van de kazen op de berrie naar de Waag een kaas eraf vallen, dan wordt er niet gescholden maar roepen de dragers: Uil!


KAASKOPPEN.

Alkmaarders worden ook wel kaaskoppen genoemd, wat voor de een een scheldwoord is en voor de ander gewoon een onderscheiding van de soort bevolking welke in de stad woont.
De naam is ontstaan uit het feit dat tijdens het beleg van de Spanjaarden om de stad, de Alkmaarders zich vanaf de stadswallen verdedigden en op hun hoofd een soort 'helmen' droegen. Deze helmen waren in feite kaasmallen waarin de kazen geperst werden, de zogenaamde kaaskoppen.




Het Waaggebouw dateert uit 1390 en was oorspronkelijk een Heilige Geesthuis, een gasthuis waar zieken en arme reizigers werden opgevangen.
Na het verkrijgen van het waagrecht, weegrecht, in 1582 werd het gebouw verbouwd tot Waaggebouw.
Het gebouw was in die tijd omringt door huizen die men langzaamaan begon te slopen om meer ruimte te verkrijgen voor de kaasmarkt. Het duurde twee honderd jaar eer het plein de grote had verkregen wat het nu heeft. Aan de gotische ramen is duidelijk te zien dat het gebouw vroeger een kerkelijke bestemming had.
In de voorgevel staat de spreuk in het Latijn: 'S.P.Q.A. RESTITUIT VIRTUS ABLATAE JURA BILANCIS', oftewel: 'Moed en kracht schonken aan bestuur en burgerij van Alkmaar het verloren waagrecht weer'.
De spreuk herinnert aan de succesvolle verwering van de Alkmaarders tegen de Spaanse tropen in 1573, waardoor ze het waagrecht verkregen.


Onder de wijzerplaten van de klok in de toren plaatste men in 1712 verschillende spreuken in het Latijn zoals:
'VIVE MEMOR LETI, FUGIT HORA'  vertaald als 'Gedenk te sterven, de uren gaan snel' en 'SINGULAS HORAS SINGULAS VITAS PUTA'  vertaald als 'Beschouw elk uur als een afzonderlijk leven'.
Misschien heeft men deze uitspraken geplaatst met een vooruit zicht op onze moderne jachtige tijd?

In het Waaggebouw bevindt zich het Kaasmuseum waar de geschiedenis van de zuivelbereiding, de handel in zuivelproducten wordt weergegeven. Verder is er een collectie 16e eeuwse schilderijen te bezichtigen met daarop afgebeeld de vrouwen in hun plaatselijke klederdrachten.
Hier is ook het kantoor van de plaatselijke VVV gevestigd.



                                                            
De statige gevel van het Waaggebouw is voorzien van een fraaie decoratie met daar boven in het Latijn in een cirkel de spreuk: 'RENOVATICVM 1884' met daarboven het jaartal 1582.

We lopen van het Waagplein de Gedempte Nieuwsloot in en slaan even af de Achterstraat in. Hier ligt het kaaspakhuis met een fraaie gevelsteen, waarop de kaasberrie staat afgebeeld waarmee de kaasdragers de kaas van de markt naar de waag dragen.




HET HOF VAN SONOY.

Waar nu het restaurant 'het hof van Sonoy' ligt, lag vroeger het Witte Hof of het Sint Maria Magdelena Klooster.
In 1572 viel het klooster in handen van de stad en werd besloten hier daklozen onder te brengen die door uitbreidingen of het aanleggen van nieuwe stadsverdedigingen hun woning hadden moeten verlaten. Na het beleg van Alkmaar werd het hof verkocht aan Diederick van Sonoy, gouverneur van het Noorderkwartier, die hier woonde en een sleutelrol speelde bij de overwinning op de Spanjaarden in 1573.
Frederick van Sonoy werd geboren in 1529 te Kalkar in Duitsland. Hij was stadhouder van Enkhuizen en bouwde ook de vesting Bourtange in Groningen. Hij overleed op 2 juni 1597.
Hij weigerde in 1567 de eed van trouw af te leggen aan de koning van Spanje en ondertekende samen met nog acht edelen een compromis om de Spanjaarden met geweld uit de Lage Landen te verdrijven. Hij werkte als geheim agent voor de prins Willem van Oranje.
Van Sonoy was een dappere, maar ook een wrede strijder en schrok er niet van terug om dorpen plat te branden, te martelen en zelfs burgers als schild in de strijd te gebruiken. 

In 1591 werd het hof gekocht door een zekere Mr. Willem van Bardes en deze liet er de nu nog staande achthoekige toren bouwen. Vermoedelijk deed de toren dienst als uitkijktoren.
Het poortje met het wapen van Bardes dateert uit het begin van de 17e eeuw.
In 1743 kwam het hof in handen van de Hervomde Gemeente die er een tehuis van maakte voor oude mannen en vrouwen.




HOF VAN NORDINGEN.

Voor we verder wandelen en linksaf slaan de v.d. Boschstraat in, slaan we rechtsaf de Lombardsteeg in waar een pand ligt op nummer 23 met een fraaie gevel. 


Ook dit pand was vroeger een provenhuis, een hofje voor oude mannen. Het werd gesticht door Van de E. heer Johan van Nordingen in 1556. Beide oude mannen afgebeeld naast de verhoogde halsgevel met fraaie klauwstukken en voorzien van een herdenking gevelsteen dragen het wapen van Nordingen.

HET MORIAANSHOOFD.

We steken de Gedempte Nieuwesloot over en wandelen de v.d.Boschstraat in naar de Langestraat en slaan deze rechtsaf in. Hier liggen het Moriaanshoofd  en het stadhuis van Alkmaar naast elkaar.


Het van oorsprong grote patriciërshuis dankt zijn naam aan de daar eens gelegen stadsherberg. Hier logeerde meerdere keren de broer van Napoleon Bonaparte, Lodewijk Napoleon.
Het Moriaanshoofd werd in 1718 gekocht door een van de schepenen Simon Schagen, een stadsbestuurder, en liet het huis in de daaropvolgende jaren grondig verbouwen.
Zoals in die tijd de gewoonte was bij belangrijke personen liet ook hij zijn beroep op de gevel van het huis weergeven met een symbolische voorstelling van 'de goede rechter'.
De afbeeldingen hebben betrekking op de deugden van de opdrachtgever zoals wijsheid, voorzichtigheid en waakzaamheid.
Maar in werkelijkheid was Simon Schagen niet zoals hij naar buiten wenste uit te stralen. Zijn privé leven was verre van vlekkeloos. Na de dood van zijn eerste vrouw, trouwde hij met een een rijke weduwe die een jaloerse en achterdochtige vrouw bleek te zijn. Op alle mogelijke manieren wist ze haar man in de gaten te houden als hij uit wandelen ging in de stad.
Zij was zo achterdochtig dat zij zelfs bij haar huwelijk haar bezit niet had meegenomen naar het huis van haar echtgenoot. Op een zekere nacht stal Simon Schagen al haar obligaties. Uiteindelijk kwam deze zaak voor de rechter en dat was niet ten goede van de man die zijn huis met zijn 'goede eigenschappen' had laten verfraaien.


HET OUDE STADHUIS VAN ALKMAAR.


















Sinds de bouw van het nieuwe Stadskantoor heeft dit Stadhuis alleen nog een functie bij trouwpartijen.
Het gebouw is tussen 1509 en 1520 gebouwd in de gotische stijl. Het gebouw heeft één hoektoren met een opengewerkte peervormige torenspits. Geld voor de bouw kwam in die tijd van de kerken in de stad.
In 1694 begon men het stadhuis uit te breiden. Acht jaar na de oplevering in 1890 vernielde een zware brand een groot deel van het pand en vernielde ook het stadsarchief.
In de jaren 1912 tot 1914 is het gehele stadhuis gerestaureerd en deze restauratie was het begin van vele interne verbouwingen.
Onder de stadhuistrappen zijn twee ingemetselde raampjes; achter het linker raampje waren de cellen van de ter dood veroordeelden en achter het rechter raampje zaten de overige gevangenen. Tot 1821 kwam twee keer per jaar de beul van Haarlem naar de stad om de vonnissen te voltrekken achter het stadhuis.
Voor dit spektakel werden de kerkklokken geluid, scholen werden gesloten en het publiek stroomde samen om maar niets te missen van het gruwelijke schouwspel van geselen, vierendelen, onthoofden, ophangen, verdrinken en verbranden van de veroordeelden.
Na het voltrekken van het vonnis werden de lijken naar het galgenveld buiten de stad gebracht en weer opgehangen als een afschrikwekkend voorbeeld wat men te wachten staat bij het overtreden van de wet.
In 1879 werd in Nederland de doodstraf officieel afgeschaft.



De twee beelden bij de ingang stellen 'de Waarheid' en de 'Gerechtigheid' voor. Tussen de beelden de Latijnse spreuk; OPUS HOC VETUSTATE COLLLAPSUM EX. S(ENATUS) C(ONSULTO) RESTAURARI CURA(VE)RUNT MDCXCIV  (1694) 
Boven het beeld 'de Waarheid' staan de wapens van de burgemeesters Mr. Adriaen Schagen en Sijmon Sevenhuijsen en boven het beeld 'de Gerchtigheid' de wapens van de burgemeesters JHR Floris van Teijlingen en Hendrik Brant.
Het stadhuis is sinds 1969 een rijksmonument.


DE GROTE SINT LAURENSKERK.

We wandelen de Langestraat uit en komen op het Kerkplein waar de Grote Sint Laurenskerk staat.

De kerk is gebouwd op een uitloper van een duinrug en draagt de naam van een van de belangrijkste martelaren van het christendom. Rond 900 n.Chr. vestigde zich hier de eerste bewoners van Alkmaar rond een houten kapel omgeven door meren en watertjes. De oudste gevonden resten stammen uit de 11e eeuw toen er een turfstenen Romaanse zaalkerk stond. In de tweede helft van de 15e eeuw begon men aan de bouw van een toren, welke in 1468 volledig instortte.
Met de bouw van de huidige kerk werd in 1470 begonnen en kwam in 1520 gereed. 

De kerk is een kruisbasiliek met als bouwstijl de Brabantse gotiek. In de kerk staat het wereldberoemde Schnitorgel wat in de 17e eeuw werd gebouwd door de orgelbouwer Hagerbeer en in de 18e eeuw ingrijpend werd verbouwd door Casper Schnitger. Het orgel wordt nu gebruikt voor het geven van orgelconcerten.

De kerk heeft tegenwoordig een multifunctioneel doel en wordt gebruikt voor concerten. beurzen, symposia, huwelijken en tentoonstellingen. De kerk is te bezichtigen op de tijden en dagen bij de ingang aangegeven.

( Het wapen van Alkmaar tussen twee vensters aan de kerk.)




Vanaf het kerkplein komen we weer uit op het Canadaplein waar we met onze stadswandeling zijn begonnen.
Uiteraard bent u niet verplicht om deze route te volgen zoals ik hier beschreven heb. Zelf het ik dit ook niet gedaan en ban de nodige zijstraten ingelopen om meer te zien van de gevels van de  huizen in de oude binnen stad van Alkmaar. Zo zijn er nog genoeg fraaie gevelstenen en  snijramen boven de deuren te vinden.


 ALKMAAR HEEFT MEER TE BIEDEN DAN ALLEEN KAAS!

zaterdag 27 september 2014

ZAANSE SCHANS MOLENS.

INDUSTRIEEL MOLENGEBIED.

EEN MOLENAAR EN EEN KAPITEIN VAN EEN ZEILSCHIP HEBBEN EEN DING GEMEEN. ZE ZIJN BEIDE AFHANKELIJK VAN DE WIND.


De Zaanse Schans ligt in de Zaanstreek bij de gemeente Zaandam aan de rivier de Zaan.


WAAR HET GEBIED IS GELEGEN.


Zaandam is een plaats die in 1811 is ontstaan door de samenvoeging van de gemeenten Oostzaandam, dat vroeger deel uitmaakte van Banne Oostzaan (een zelfstandige gemeente tussen 1795 en 1811) en Westzaandam, dat deel uitmaakte tot Banne Westzaan.
Het was door keizer Napoleon Bonaparte die bij Keizerlijk Decreet van 21-10-1811, dat op 1-1-1812 Zaandam verheven werd tot stad.
Het wapen van Zaandam is dan ook een combinatie van de wapens van de vroegere dorpen Westzaandam en Oostzaandam.
Het is een gevierendeeld schild met links in het goudenvl;ak de staf van Mercurius, rechts vier klimmende leeuwen, linksonder een onvoltooid schip en rechts onder een haan. Het in het midden liggende schild geeft een geografische situatie weer: lucht, aarde en water.
Het schild wordt gehouden door een gekroonde leeuw met een opgeheven zwaard.

Zaandam is samen gegaan met de gemeentes Assendelft, Krommenie, Wormerveer, Westzaan, Zaandijk en Koog aan de Zaan en vormen nu samen de gemeente Zaanstad.


Het nieuwe wapen van de gemeente Zaanstad. Als schildragers worden hier twee walvissen weergegeven die het schild met hun staarten vasthouden. Het schild is gevierendeeld en in de vier delen staan de leeuwen tegenover elkaar gekeerd. Zilveren leeuwen in een rood vlak en rode leeuwen in een zilver vlak
Het geheel is geplaatst op een arabesk van sinopel


Het wapen is erkend sinds 27 februari 1974. Het geeft de verbondenheid weer van Zaanstad in de 17e en 18e eeuw met de walvisvaart.


Zo heeft de gemeente Zaanstad ook een nieuwe vlag verkregen.
Deze vlag bestaat uit de kleuren rood, wit en blauw en een verkort kruis.
Van het verkorte kruis raken de verticale witte armen en de horizontale rode armen elkaar in het midden
diagonaalsgewijze raken en waarvan de hoogte één tweede en de dikte der armen één zesde van de hoogte van de vlag is. Het kruis is ontleend aan het embleem van Zaanen. Volgens historische gegevens uit de oudste ter wereld bestaande vlaggenboeken staat de vlag gedocumenteerd; De vlag werd gevoerd door schepen varende onder de hoge bescherming van de heerlijkheid Zaanen.


DE INDUSTRIE.

Aan de oever van de Zaan, die bij Amsterdam in het IJ uitstroomt, is van oudsher veel bedrijvigheid gesitueerd. Door de walvisvaart ontstonden er scheepswerven in de 15e en 16e eeuw. Op de werven werden vooral de praam en de haringbuis gebouwd voor de visvangst op zee.
Ook de Gouden Eeuw en de V.O.C. deden veel bedrijven ontstaan langs de oever van de Zaan er werd het gebied van begin 17e eeuw tot driekwart van de 19e eeuw een enorm industrieel molengebied. In het begin van de 18e eeuw werden er 150 schepen per jaar gebouwd op de hellingen langs de Zaan. Einde 18e eeuw raakte de scheepsbouw in verval.
Dat de scheepsbouw van belang was, blijkt aan het werkbezoek van de Russische Tsaar Peter de Grote die van 18 t/m 25 augustus 1697 een bezoek bracht aan de scheepsbouwwerven in Zaandam.


Voor de scheepsbouw, de bouw van molens, huizen en pakhuizen was hout nodig en dit werd uit Scandinavië, Oostzeegebied en Duitsland aangevoerd. Gedurende de opkomst van de scheepsbouw werd al dit hout nog met de hand gezaagd, wat een zwaar en tijdrovend werk was.
Zo begon men molens te bouwen die de boomstammen konden zagen en al snel stonden er honderden houtzaagmolens langs de Zaan.
Naast de houtzaagmolens waren er er tientallen andere molens; pelmolens, papiermolens, oliemolens, verfmolens, krijtmolens, snuifmolens ( voor snuiftabak), specerijmolens en volmolens (watermolens).
Het moet in die tijd een enorm lawaai geweest zijn als al de molens in bedrijf waren.


DE KRUKAS.


                                                 ( Voorbeeld van een krukas in een molen.)

De uitvinding van de krukas bracht een revolutie teweeg bij de molens. Men kon hierdoor meerdere zagen of stampers tegelijk gebruiken.
Het was Cornelis Corneliszoon van Uitgeest, die ook Krelis Loodjes werd genoemd, die deze uitvinding deed. Hij woonde in Uitgeest als een eenvoudige boer tussen de timmerwerkplaats van zijn zwager en de molen van zijn schoonvader.
De molens die men over het algemeen kende vermaalden het graan tot meel tussen de molenstenen of maalden het water uit de polders. Een ronddraaiende beweging van de wieken werd steeds in een ronddraaiende beweging overgebracht naar de molenstenen of het schoepenrad.
De uitvinding van de krukas, een as met twee of meerdere bochten er in zorgde ervoor dat de draaiende beweging van de wieken werd overgezet in een op- en neergaande beweging.
De eerste houtzaagmolen die Cornelis bouwde stond in Alkmaar en door deze snelle manier van zagen werd ook het timmerhout goedkoper.
De scheepsbouw in Amsterdam toonde weinig belangstelling voor zijn uitvinding, daar dit veel houtzagers hun werk zou kosten. Maar in Zaandam was meer belangstelling en bouwde men in 1596 er de eerste houtzaagmolen aan de oostoever van de Zaan.
Cornelis kreeg 300 gulden voor elke krukas die in een molen werd gebruikt. Pas drie jaar na zijn dood, in 1610, mocht een ieder vrij van deze uitvinding gebruik maken.

DE INDUSTRIËLE GROEI.

Voor de scheepswerven, de huizen- en molenbouw verrezen in Zaandam de houtzaagmolens. Olie molens kwamen meer voor in de noorden van de streek (Schermer,Purmer en Beemster) waar het koolzaad groeide, waaruit de olie werd geperst.

In het rampjaar 1672 vluchtten veel papiermakers uit Gelderland, waar toen veel werd gevochten, naar de Zaanstreek. Hun papiermolens kwamen iets verder in het veld te staan, omdat zij schoon helder water nodig hadden.

Verder waren er pelmolens die graan verwerkten, hennepkloppers die voor de touwslagerijen wekten.
Deze touwslagerijen verwerkten de hennep op een lijnbaan alwaar de vezels in elkaar werden gedraaid tot een steeds dikker touw, dat weer geleverd werd aan de scheepswerven voor de tuigage van de schepen en hun trossen.

Kleinere molens die wit poeder maalden voor in de pruiken welke in die tijd werden gedragen door de welgestelden heren.



Al met al hebben er in die tijd ongeveer 1200 molens in de Zaanstreek gestaan. Op het hoogte punt van de molenindustrie , rond 1700, draaien er wel 700 molens tegelijk. Door al deze industrie vermeerderde zich ook de bevolking in het gebied. Er werden zelfs buitenlandse arbeidskrachten aangetrokken.
Zo raakten de dijken langs de Zaan volgebouwd en ontstonden er smalle paden dwars op de rivier waar men weer woningen bouwden. De modderige paden werden begaanbaar genaakt door er zaagsel op te strooien van de houtzaagmolens. Door als deze paden langs de beide zijden van de rivier ging het landschap er uit zien  als een visgraat.
Vanaf de periode rond 1850 werd de windkracht langzaam verdreven door de opkomst van de stoommachine. Zaandam bleef tot in de tweede helft van de 20e eeuw een zeerbelangrijke houthaven.
Nu liggen er moderne fabrieken voor de cacao verwerkende industrie van de grote kruideniersbedrijven en houtverwerkende fabrieken van het bedrijf Bruynzeel.


DE HUIDIGE MOLENS AAN DE ZAANSE SCHANS.


( Van links naar rechts op de afbeelding de molen Het Jonge Schaap, de Zoeker, De kat, De gekroonde Poelenburg en De Huisman.)

Na de opkomst van stoom als energie raakten veel molens in verval en werden afgebroken. Zo waren er in 1920 nog maar 50 van de eens 1000 molens over.
Om deze molens voor het nageslacht te bewaren werd op 17 maart 1925 de Vereniging de Zaansche Molen opgericht.
Deze vereniging heeft nu zo"n tiental industriemolens in haar bezit. Deze molens worden in optimale staat gehouden en draaien regelmatig en hebben zelfs nog een productie.
In 1928 stichtte de vereniging een uniek en bezienswaardig molenmuseum, waar alles over de geschiedenis en werking van de molens te terug te vinden.


HOUTZAAGMOLEN 'HET JONGE SCHAAP'.

Het houtzagen door middel van windkracht is een uitvinding van Cornelis Corneliszoon uit Uitgeest. Hij maakte voor de aandrijving van de zaagramen voor het eerst gebruik van een door hem ontworpen krukas.
De door hem eerste ontworpen en gebouwde houtzaagmolentje , 'Het Juffertje', werd op een vlot naar Zaandam getransporteerd.
Houtzaagmolens zijn er in twee typen. Zo produceerde de wagenschotzager het zogenoemde wagenschot of wegenschot, een fijn soort eikenhout dat gebruikt werd voor wand- en scheepsbetimmeringen.
Een balken zager hield zich alleen bezig met het grove werk als het zagen van balken en planken zoals de houtzaagmolen 'Het Jonge Schaap'.





 Het 'Jonge Schaap'is een replica van de molen uit 1680 welke in 1942 werd afgebroken. Deze replica werd opgebouwd tussen 2005 en 2007 volgens tekeningen van Anton Sipman die hij maakte van de oude molen voor hij werd afgebroken.
Deze replica kreeg een plaats tussen de molens 'De Zoeker' en 'De Os' aan de Kalverringdijk 31a.op de Zaanse Schans.
Op deze plaats stond vroeger tussen 1685 en 1798 de oliemolen 'De Ster'.
Het 'Jonge Schaap' is een bovenkruier: dit betekend dat alleen de kap op de wind wordt gezet door middel van het kruirad dat onderaan de schoren is bevestigd. De kap draait op een neutenkruiwerk. Dit zijn houtenbalkjes die van boven zijn afgedekt met blik.
De stalen roeden werden in 2006 gemaakt bij de Limburgse molenroedenfabrikant Derckx. De binnenroede is 20,5 meter lang en de buitenroede is 20,68 meter lang.
De gietijzeren bovenas van de fabrikant Enthoven dateert uit 1949. Deze as heeft vroeger in de houtzaagmolen 'De Verwachting' uit Middelburg gelegen die in 1891 werd gesloopt.




( De boomstammen welke in het water hebben gelegen worden de helling opgetrokken, waarna ze geschild worden alvorens ze worden gezaagd.)


De draaiende beweging van de wieken wordt door het bovenwiel en het krukwiel omgezet in een verticale op- en neergaande beweging voor het aandrijven van de zagen en ander werktuigen onderin de molen.
Om het bovenwiel zit de vang, dit is een stutvang, een houten rem, waarmee de molen stilgezet kan worden.
Om het bovenwiel zitten als voering eikenhouten schaaldelen, waarop de vangblokken aangrijpen. 




Het 'Jonge Schaap' is uitgerust met een krukas.
Het grote bovenwiel brengt, via de koningsspil, de beweging over op het krukwiel. Het krukwiel drijft op zijn beurt de krukas aan waarmee de zaagramen op en neer worden bewogen.
Deze molen is uitgerust met drie grote zaagramen die de boomstammen in balken of planken zagen.
De dikte van deze planken wordt bepaald door de ruimte tussen de verstelbare zaagbladen.












De molen heeft behalve de zagen die aangedreven worden nog andere onderdelen die aangedreven worden via de wind.
Een ingenieuze constructie is de winderij. Het tandwiel heeft veel weg van een cirkelzaag, maar dat is het beslist niet. Het heet in de molentaal een krabbelrad. Het krabbelrad wordt gebruikt om de winderij aan te drijven, waarmee de balken uit het water worden gehesen en van de werkvloer worden getild.
Ook de zaagsleden worden door het krabbelrad aangedreven. Een zaagslede met een tandheugel zorgt ervoor dat de boomstammen door de zaagramen worden geschoven.


Bij het krabbelrad om de balken op te hijsen wordt het rad telkens, stukje voor stukje, rondgedraaid waarbij het hijstouw langzaam om de rol wordt gewonden en de blak wordt opgetakeld.
Ook de zaagsleden worden bij elke op en neer gaande beweging van de zaagramen door het krabbelrad steeds een klein stukje opgeschoven.
De winderij is ook uitgerust men een loopbaan waaraan zware handbediende takels hangen.
Bij goede windcondities is het mogelijk om zo per dag twintig boomstammen te verzagen.
Vroeger bestond het personeel van een houtzaagmolen uit vijf personen die in feite op de molen woonden.






Het gezaagde hout wordt onder een afdak opgestapeld,  met dunne latjes tussen de planken om de wind er door te laten gaan, om te drogen. Kosten en onderhoud van de molen worden gedekt uit de verkoop van dit gezaagde hout.






OLIEMOLEN 'DE ZOEKER'.

   
'De Zoeker' is een oliemolen aan de Kalverringdijk op de Zaanse Schans.  In de Zaanstreek is het één van de vijf overgebleven oliemolens. Eens stond hier de oliemolen 'De Wind'. 
De geschiedenis van deze molen gaat terug naar het jaar 1676 toen deze molen zijn windbrief verkreeg. De oliemolen, gebouwd in Zaandijk, raakte door de opkomst van de stoom gedreven fabrieken uit de gratie. In 1891 werd de molen er niet mooier op.
In dat jaar werd het binnenwerk van de molen verwijderd en de molen werd ingericht als verfmolen. In februari 1925 werd de molen zwaar beschadigd door een windhoos en dank zij een vrijwillige bijdrage weer opgeknapt. In 1940 raakte de molen buiten bedrijf. 
In 1950 kwam de molen in handen van de gemeente Zaandijk.
Op 1 augustus 1968 werd de molen op spectaculaire wijze overgebracht van het Guisveld te Zaandijk naar zijn huidige plaats aan de Kalverringdijk op de Zaanse Schans.

Bij deze operatie werd het molenlijf met een grote kraan over de bedrading van de spoorweg getild. Na de verplaatsing werd 'De Zoeker' overgedragen aan de Vereniging de Zaansche Molen. De molen is weer geheel in werking als oliemolen, waarin olie wordt geslagen op professionele basis. In de molen draaien stenen op de olie houdende zaden te vermalen, waaruit later olie wordt geslagen.
  


'De Zoeker' is een achtkantige bovenkruier, waarvan alleen de kap met de wieken verdraaid kunnen worden op de windrichting. Het verdraaien van de kap geschied met behulp van het kruirad.



In de molen wordt de draaiende beweging van de wieken overgezet in een verticale beweging voor aandrijving van de werktuigen onderin de molen. Om de molen stil te zetten wordt gebruik gemaakt van een vang om het grote bovenwiel.


                                                               

HET MALEN VAN DE OLIE.

Direct in het oog in de oliemolen vallen de enorme molenstenen die een gewicht hebben van 2500 kilo en die onverstoorbaar hun rondjes draaien en het oliehoudende zaad of noten pletten onder hun enorme gewicht.
Omdat de stenen op hun kant staan worden ze logischerwijs kantstenen genoemd. De twee kantstenen, samen een gewicht van 5000 kilogram, zijn bevestigd in een raamwerk dat wordt aangedreven door het mechaniek van de molen.
De kantstenen draaien rond op een vlakke steen, de 'legger', die op het 'doodsbed' rust.
Omdat deze stenen legger snel sleet of barstte werd in latere jaren wel een plaat van gietijzer gebruikt als doodsbed.


Regelmatig schept de molenaar een nieuwe hoeveelheid maalgoed op de legger.
Om te voorkomen dat het maalgoed door de kantstenen van de legger wordt gedrukt en op de grond valt, draaien er zogenaamde 'strijkers' mee die de geplette massa onder de stenen houdt.
De zijkanten van de kantstenen zijn meestal voorzien van gekleurde vlakken, zoals op de afbeelding in wit en blauw gescheiden door een rode streep. Dit wordt gedaan als een veiligheidsmaatregel, zodat men ook 's nachts in de schaars verlichte molen in één oogopslag kan zien dat de stenen in beweging zijn.


 Is het zaad of de noten eenmaal tot meel vermalen onder de kantstenen dan wordt wat over is verwarmd.
Dit gebeurd op een stenenfornuis, dat 'vuister' wordt genoemd en gestookt wordt met hout, turf of steenkoolbriketten.
Op de ijzeren plaat van de vuister wordt het fijn gemalen zaad al roerend verwarmd.
Als nevenfunctie word de vuister ook wel door het personeel gebruikt om koffie op te zetten of een maaltijd op te warmen.

 

HET SLAAN VAN DE OLIE. 



Voor het slaan van de olie, wordt de verticale beweging van de koningsspil weer overgezet in een horizontale beweging voor de nokkenas welke de slaghei in beweging brengt.


Het opgewarmde gemalen zaad wordt vervolgens in twee wollen zakken, de zogenoemde 'bullen' gedaan.
Aangezien deze bullen bij het slaan flinke klappen te verduren krijgen krijgen ze een soort jas aan van paardenhaar en leer.
(zie doorsnede a in de tekening)
Dat geheel wordt in een houten lade gestopt waarna het heiwerk begint. Met de slaghei (b) wordt met grote kracht op de slagbeitel (c) geslagen die de buul, via de vulstukken (d) klap na klap opzij drukt en daarmee de olie uit het zaad perst. Dit gaat met een enorm lawaai gepaard, wat zelfs buiten de molen te horen is. Het onophoudelijk heien bezorgde het personeel in de molen de nodige gehoorbeschadigingen, welke beroepskwaal 'heidoof' wordt genoemd.
Na het persen is een klap van de loshei (e) op de losbeitel (f) voldoende om de druk van circa 250 atmosfeer uit de blokken te halen.



Als de olie uit het zaad is geperst blijft er in de buul een stevige 'koek' over. Om niets verloren te laten gaan, worden deze koeken uit de buul gehaald, door de stampers tot meel gemaakt, nogmaals verwarmd en weer in de buul gestopt voor een extra behandeling in het blok. Deze extra behandeling, de zogenoemde naslag, was lonend. Het is een arbeidsintensief werk.


VEEVOEDER KOEKEN.

De buul wordt na de naslag ontdaan van zijn  uitgeperste inhoud. Ook wat nu over is werd vroeger nooit weggegooid. Zo werd deze laatste koek naar het koekenhok gebracht waar ze met behulp van een zwaar mes aan een hefboom in plakken werd gesneden voor de verkoop als veevoeder.

De oliemolen perste ook lijnzaad, dat net als het hout van de houtzaagmolen werd gebruikt in de scheepsbouw.


KRIJTMOLEN 'DE KAT'.





















Krijtmolen 'De Kat' is 
een achtkantige bovenkruier die oorspronkelijk in 1781 is gebouwd en sinds de herbouw in 1960 tot verfmolen is ingericht.
De kap en de wieken zijn alleen op de wind draaibaar met behulp van het kruiwiel.


Op de plaats waar nu de molen staat werd omstreeks 1646 een verfmolen opgericht. Aan de molenaar Adriaan Gerritszoon van Someren werd op 11 januari 1646 de windbrief verleend.
Deze molen werd later tot oliemolen verbouwd omstreeks het jaar 1689.
Op 27 november 1782 werd de molen door brand geheel verwoest, maar werd weer opgebouwd.

In 1904 werd de sinds 1772 in het bezit van de familie Honig zijnde molen verkocht aan de firma Vis Pz. die hem tot stellinghoogte liet afbreken en de onderbouw en schuur in gebruik nam als opslag- en droogplaats voor krijt.
In 1960 werd op deze onderbouw en schuur het bovenachtkant van de elders uit Zaandam afkomstige molen 'De Duinjager' geplaatst.

'De Duinjager' is waarschijnlijk omstreeks 1696 in het Oostzijderveld gebouwd, want de windbrief uitgereikt aan de molenaar Adam Janszoon Duyn dateert van 1 augustus 1696.
De molen was oorspronkelijk gebouwd als snuifmolen maar werd al spoedig tot verfmolen ingericht. Op 17 juni 1781 ging de molen door brand verloren, maar werd weer opgebouwd.

Omstreeks 1900 werd de molen gebruikt voor het vermalen van krijt en later voor het vermalen van brokken steenkool. Deze verpulverde steenkool werd in balen geleverd aan de ijzergieterijen. Al voor de Tweede Wereldoorlog had de molen een dieselmotor als hulpkracht om het gaande werk aan te kunnen drijven.




Het gaande werk in de molen bestond aanvankelijk uit twee koppels maalstenen en vijf koppels kantstenen. 
De maalstenen lagen op de eerste zolder en vier van de vijf koppels kantstenen stonden in het onderachtkant op de begane grond. Het vijfde koppel stond in de westschuur opgesteld en werd aangedreven door een lange as vanuit de molen.
Een van de koppels maalstenen is in latere tijd beneden opgesteld.

'De Duinjager' is tot maart 1947 op windkracht in bedrijf geweest. Door bebouwingsplannen van het Oostzijderveld kon de standplaats van de molen niet gehandhaafd blijven en werd de molen in 1959 gesloopt.
In 1960 zijn de bovenachtkant en kap verplaatst naar de onderbouw van molen 'De Kat' aan de Kalverringdijk op de Zaanse Schans. Sindsdien wordt de molen regelmatig in werking gesteld.


Het krijt dat de molen uit gedroogde brokken fijn maalt werd gebruikt voor de verfindustrie en de kleur werd er na het malen in een mengmachine aan toegevoegd.

Door de opkomst van de chemische industrie en de productie van synthetische verf raakte de productie van krijtverf in verval.






HOUTZAAGMOLEN 'DE GEKROONDE POELENBURG'.

De houtzaagmolen ´De Gekroonde Poelenburg' is een paltrokmolen.
Toen de uitvinder van de krukas Cornelis Corneliszoon uit Uitgeest zijn eerste houtzaagmolentje bouwde was dat ook een paltrokmolen
.
De naam paltrokmolen heeft de volgende verklaring:
In de 16e eeuw werd het meeste hout als ruwe boomstammen in Holland ingevoerd uit het Rijnland in Duitsland. De mannen uit dit gebied, de Duitse Pfals, droegen in die tijd jassen die van boven smal waren en beneden breed uitliepen 'Pfalz-rokken'.
Maar ook in de 14e eeuw kende men in Frankrijk een dergelijk kledingstuk genaamd 'paltoc'.


Opvallend aan deze molen is; dat als men de wieken op de wind wil zetten men niet de kap verdraaid met behulp van het kruiwiel, maar dat de gehele molenromp wordt verdraaid op een stelsel van rollen gelegen op de stenen fundatie van de molen tussen de molenromp. 

De oorspronkelijke Poelenburg werd waarschijnlijk voor 1731 gebouwd in het toenmalige Oostzaandam. 
Nadat de molen in 1903 verbrandde werd de paltrok 'De Locomotief' in 1904 op de plaats van de Poelenburg neergezet. 'De Locomotief' was in 1866/1867 gebouwd in Koog aan de Zaan. Na de verplaatsing ging 'De Locomotief' verder door het leven onder de naam 'De Gekroonde Poelenburg'.
De molen werd op zijn oorspronkelijke standplaats niet gerestaureerd, maar dat werd pas gedaan nadat deze vanaf de grond weer werd opgebouwd op de Zaanse Schans. Helaas werd de molen toen zwart geteerd en verloor zo de oud-Zaans-groene kleurstelling.


Op het erf waar nu de molen staat heeft eeuwenlang de pelmolen 'De Grootvorst' gestaan welke op 28 maart 1928 is verbrand. 
Volgens molengeschiedkundigen hebben in de Zaanstreek ongeveer 237 paltrokken gestaan. Hiervan zijn alleen 'De Gekroonde Poelenburg' en 'De Held Jozua' nog over.

In 2005 onderging 'De Gekroonde Poelenburg' in opdracht van de eigenaar de Vereniging De Zaansche Molen een grote restauratie.
Bij deze restauratie werd het buiten houtwerk in de originele potdekstelling weer aangebracht en weer voorzien van de oude Zaans-groene kleur.
De sombere zwarte verschijning maakte plaats voor kleurige gebouwen aan de Schans.

De originele gietijzeren bovenas, van de gieterij De Prins van Oranje, uit 1866 zit nog steeds in de molen.


De molen heeft een zaagraam met schulpraam, met in het midden alleen een zaagraam en aan de andere kant alleen een schulpraam.

De roeden hebben een lengte van 20,3 meter en zijn gemaakt door de fabrikant Beudeker in 1963. 
Bij een technische inspectie in 2014 kwam aan het licht dat de roeden in een slechte conditie verkeerden en zodoende staat de molen voorlopig uit veiligheid overwegingen buiten bedrijf.
Zagen in de molen werd op vrijwillige basis gedaan.

Het bovenwiel van de molen heeft 66 kammen en het krukwiel 26 kammen. De krukas draait hierdoor 2,54 keer sneller dan de bovenas. Een overbrengingsverhouding van 1 : 2,54.





MOSTERDMOLEN 'DE HUISMAN'.



Molen 'De Huisman'  is een kleine achtkantige stellingmolen en staat  sinds 1955 op een pakhuis. Het is het oude pakhuis 'Indië's Welvaren'. Eens stonden ze naast elkaar.
Snuifmolen 'De Huisman' (1786) en de specerijenmolen 'Indië's Welvaren' (1908) moesten wijken voor stadsuitbreiding van Zaandam. Nu vormen ze samen één nieuw bedrijf aan de Kalverringdijk op de Schans.


( De oorspronkelijke houten aandrijfas is vervangen voor een stalen as.)

Nu is de molen ingericht als een specerijenmolen met het binnenwerk van de specerijenmolen 'Het Indië's Welvaren' welke nu de naam draagt 'De Jonge Dirk".
De molen was voor de grote restauratie volledig bedrijfsvaardig voor de mosterdpoductie, maar er werd een moderne installatie voor de bereiding van mosterd gebruikt.



In 2010 is begonnen met de verbouwing van de 'De Huisman' en werd de productie van de mosterd verplaatst naar Wormerveer.
Naast het pakhuis 'De Haan' is een nieuw deel gebouwd waarop het achtkant in december 2010 werd geplaatst. In dit nieuwe gedeelte staan drie koppels kantstenen opgesteld die zowel door de windkracht als elektrisch kunnen worden aangedreven. De aandrijving gebeurt met behulp van aandrijfriemen en gedeeltelijk door de kamwielen van het door de wind aangedreven gedeelte. 
Opvallend is dat hier een van de koppel kantstenen niet van steen is maar van hout.


Nu hangt er de geur van vers gemalen specerijen die onder de drie paar molenstenen in de hoek van het pakhuis tot poeder worden vermalen.
Aan het geheel is een authentieke winkel toegevoegd waaraan het interieur veel aandacht is besteed.
Het is nu niet alleen de mosterd die hier wordt verkocht, want Abraham wist al waar hij deze moest halen, maar ook alle soorten kruiden om de maaltijden op smaak te brengen. De oosterse geuren komen je er tegemoet.



Het pakhuis 'De Haan' is ongeveer dertig centimeter omhoog gebracht op een nieuwe fundering.
Hierin is nu de specerijenwinkel gevestigd.
Op 16 september 2011 heeft de Beschermheer van De Hollandsche Molen, Z.K.H. Prins Friso het complex zo als het nu is in gebruik genomen.










Het voormalige pakhuis en de begane grond van de molen zijn vrij toegankelijk.




EEN BEZOEK AAN HET GEBIED.

Het gebied van de Zaanse Schans is Nationaal Erfgoed. Het geeft weer hoe van belang het gebied was voor de handel en de scheepsbouw. Alles was met elkaar verweven. Het was in die tijd het grootste industrie gebied van de wereld.

De Zaanse Schans ligt op loopafstand van het NS-station Koog aan de Zaan.. Ook is vlakbij voldoende gelegenheid voor het parkeren van een auto.
De weg langs de molens is alleen toegankelijk voor de bewoners met een gemotoriseerd voertuig. Bezoeker kunnen gebruik maken van een fiets op de 'benenwagen'. Voor het betreden van de molens om deze te bezichtigen wordt een kleine bijdrage gevraagd welke wordt gebruikt voor het in stand houden van de molen. Enkele molens hebben een kleine molenwinkel waar souvenirs of boekwerken te koop zijn.  

In het landschap achter de Kalverringdijk staan nog enkele kleine poldermolentjes welke op zijn tijd nog in gebruik zijn om overtollig water weg te malen.



( Verder informatie: Vereniging de Zaansche Molen tel. 075-621 51 48. Postbus 3, 1540 AA Koog aan de Zaan.
Zaans Molenmuseum. Museumlaan 18, 1541 LP Koog aan de Zaan, tel.075/628 89 68 '