zaterdag 20 september 2014

KINDERDIJK EEN UNIEK MOLENLANDSCHAP.

WINDKRACHT OM EEN GEBIED DROOG TE HOUDEN.


Nergens ter wereld kan men een molenlandschap vinden zoals in Kinderdijk-Elshout. De molens liggen in een gebied waar de rivier de Lek en de Noord samen stromen. Het betreft negentien molens in het noordwesten van de Alblasserwaard een gebied gelegen in de provincie Zuid-Holland.

Op een korte afstand bijeen staan:
8 molens van de Nederwaard.
8 molens van de Overwaard.
2 molens van de polder Nieuw-Lekkerland.
1 molen van de polder Blokweer.


Het zijn allemaal poldermolens, die twee molengangen vormen en een internationaal groot toeristisch trekpleister zijn.
Al deze molens zijn eigendom van de Stichting Werelderfgoed Kinderdijk en ze staan sinds 1997 op de Werelderfgoedlijst van UNESCO.
Het gehele gebied is tevens beschermd dorpsgezicht.
De molens bij Kinderdijk zijn gebouwd vanaf het einde van de 15e eeuw, maar de huidige molens dateren bijna allemaal uit 1738-1740.





1. Rivier de Lek.
2. De Hooge Boezem van het  
    Waterschap de "De Nederwaard".
3. Rivier De Noord.
4. De Hooge Boezem van het
    Waterschap de "De Overwaard".
5. De Lage Boezem van de
    Nederwaard.
6. De Lage Boezem van de 
    Overwaard.



Alle poldermolens elders in de polder rond het Kinderdijk complex, malen hun overtollige water uit op een "lage" of een gezamenlijke boezem, de dubbele brede wetering, die het waterschap doorsnijdt.
Het einde van deze boezems ligt tussen de twee rijen molens. Er komen bij Kinderdijk twee grote boezemwateren samen. Dit zijn de Groote- of Achterwaterschap ten behoeve van de Boezen van Overwaard en de Nieuwe Waterschap ten behoeve van de Boezem van de Nederwaard. Zij monden uit bij Elshout, noordwesten van de Alblasserwaard.  Het is de slagader van het waterschap die het overtollige water kan lozen via een spuisluis, op de rivier de Lek. Het waterschap dient er voor te zorgen, dat de langzaam vullende boezems weer van dat water ontlast worden via de reeds genoemde spuisluizen.


Bij Kinderdijk was er echter een groot probleem, dit lozen van het overtollige water diende te gebeuren op de rivier. 
Deze rivier, het waterpeil ervan stond onder sterke invloed van eb en vloed op zee. Tijdens de vloed perioden was het niet mogelijk om door een natuurlijke afvloeiing water op de rivier te lozen. Dit was alleen mogelijk gedurende laag water, bij eb.
Om toch de lage boezem te ontdoen van het overtollige water tijdens vloed perioden, maalden de molens van de Kinderdijk het water vanuit de "lage" boezem in de achter deze molens liggende, van lage dijken voorziene rietlanden, die de hoge boezem vormen. ( Het gearceerde deel in de tekening). Men noemt dit een getrapte bemaling en dit gaat als volgt te werk:



De molens, die het water uit de polders weg malen, slaan het water uit de gezamenlijke boezem op. Aan deze boezem staan de molens van het Kinderdijk complex, die het water hieruit brengen naar een hoger gelegen boezem, de z.g. hoge of bergboezem.

Deze hoge boezem, wat in wezen een soort van spaarbekken is, staat door middel van spuisluizen in verbinding met de rivier.
Zodra de waterstand in de hoge boezem hoger wordt dan die op de rivier, dan opent men de spuisluizen en vloeit het water op natuurlijke wijze af naar de rivier en de zee.
Wordt de waterstand op de rivier hoger, dan gaan de spuisluizen weer dicht. 


DE NEGENTIEN WINDMOLENS.

Het gehele molencomplex van Kinderdijk bestaat uit: 





Acht de molens van de Nederwaard zijn ronde bakstenen windwatermolens alle uit het bouwjaar 1938, bovenkruiers, type grondzeiler.

Van links naar rechts bovenste serie:
Nederwaard Molen 1 met een vlucht van 27,75 meter en een scheprad met een diameter van 6.3 meter.
Nederwaard Molen 6 met een vlucht van 28.0   meter en een scheprad met een diameter van 6,3 meter.
Nederwaard Molen 2 met een vlucht van 27,5   meter en een scheprad met een diameter van 6,3 meter.
Nederwaard Molen 8 met een vlucht van 27,3   meter en een scheprad met een diameter van 6,5 meter.

Van links naar rechts onderste serie:
Nederwaard Molen 5 met een vlucht van 27,7   meter en een scheprad met een diameter van 6,3 meter.
Nederwaard Molen 3 met een vlucht van 28,5   meter en een scheprad met een diameter van 6,5 meter.
Nederwaard Molen 7 met een vlucht van 27,5   meter en een scheprad met een diameter van 6,5 meter.
Nederwaard Molen 4 met een vlucht van 27,9   meter en een scheprad met een diameter van 6,3 meter.

De Nederwaard Molen 8 is de enigste molen welke nooit is verhoogd.






Alle acht van de molens van de Overwaard zijn achtkantige molens met een gemetselde voet, bovenkruiers, alle zijn gebouwd in 1940, type grondzeiler.

Van links naar rechts in de bovenste serie:
Overwaard Molen 1 met een vlucht van 28,7   meter en een scheprad met een diameter van 6,7 meter.
Overwaard Molen 6 met een vlucht van 28,6   meter en een scheprad met een diameter van 6,7 meter.
Overwaard Molen 8 met een vlucht van 28,5   meter en een scheprad met een diameter van 6,7 meter.
Overwaard Molen 7 met een vlucht van 29,0   meter en een scheprad met een diameter van 6,7 meter.

Van links naar rechts in de onderste serie:
Overwaard Molen 4 met een vlucht van 28,8   meter en een scheprad met een diameter van 6,7 meter.
Overwaard Molen 5 met een vlucht van 28,6   meter en een scheprad met een diameter van 6,7 meter.
Overwaard Molen 3 met een vlucht van 28,6   meter en een scheprad met een diameter van 6,7 meter.
Overwaard Molen 2 met een vlucht van 29,65 meter en een scheprad met een diameter van 6,7 meter.

De Overwaard molen 2 werd in 1984 geheel nieuw opgebouwd nadat deze door brand was verwoest.
De Overwaard molen 3 had tot 1799 twee schepraden.



De overige drie molens van Kinderdijk.
Van links naar rechts:
1. De Blokker of Blokweerse molen met een vlucht van 26,9 meter en een scheprad met een diameter van 5,7 meter. Het is het oudste type watermolen een z.g. wipwatermolen met een open scheprad.
Ken merkend voor dit molen type is dat, het gehele bovenhuis met de staart draaibaar is. Bij het type bovenkruier wordt allen de kap met de wieken gedraaid.
Deze molen gebouwd in 1620  en brandde in 1997 af. Herbouw dateert van 2001. De molen staat in gemeente Alblasserdam. Reeds in 1400 stond hier reeds een molen, die in 1575 door de Spaanse troepen in brand is gestoken.
2. De Hoge Molen met een vlucht van 28,2 meter. Bovenkruier. Deze molen heeft geen scheprad meer maar een vijzel
De molen staat in de gemeente Kinderdijk/Nieuw-Lekkerkerk.  
3. Kleine- of Lage Molen met een vlucht van 27,5 meter. Bovenkruier. Deze molen heeft geen scheprad meer maar een vijzel. De molen staat in de gemeente Kinderdijk/Nieuw-Lekkerkerk.

Eens telde Kinderdijk twintig molens, deze twintigste molen was de Oude Molen. Deze grondzeiler was één van de twee ondermolens van Nieuw-Lekkerkerk. De molen is in 1945 ingestort en vervolgens in 1957 gesloopt. Alleen de fundering resteert.


DE MOLENS EN HUN WERKING. 

Met de vlucht van een molen wordt bedoeld de totale lengte van de wieken, welke gemiddeld 28 meter bedraagt. De bovenas, waarvan men alleen de kop ziet en waar de roeden zich kruizen, ligt ongeveer 15 meter boven de begane grond.

In deze afbeelding een voorbeeld van de getrapte bemaling.
 1. Poldermolen.                                 5. Spuisluis naar de rivier de Lek, bij eb.
2. Boezemmolen.                                6. "Hoge" boezem.
3. Polderpeil.                                      7. Spuisluis naar de rivier de Lek bij vloed.
4. "Lage" boezem.

De molen brengt het water naar een hoger gelegen boezem. Dit geschied door een rad voorzien van schoepen, het z.g. scheprad. De onderste helft van het scheprad draait met de schoepen tussen twee stenen muren en rakelings over de stenen bodem.
Door de draaiende beweging van het schoepenrad, wordt het water uit de polder omhoog gebracht en over een soort drempel geworpen, waarna de druk van het water een ijzeren sluisdeurtje, z.g. wachtdeur, wordt open gedrukt. Wordt de molen nu stil gezet en het water dan zou terug kunnen stromen, wordt de wachtdeur door het water wat wil terugstromen dichtgedrukt. 
De opvoerhoogte van het schoepen- of scheprad bedraagt maximaal één meter.
Het is uiteindelijk het wiekenkruis dat het gehele mechanisme in beweging brengt. Het is weer bevestigd aan de bovenas met het daaraan bevestigde bovenwiel, wat het bovenrondsel aandrijft wat op de koningsspil is bevestigd. De koningsspil drijft dan op zijn beurt weer het onderrondsel aan, wat het waterwiel weer aandrijft en aan de wateras waarop het schoepenwiel is bevestigd een ronddraaiende beweging geeft. Het wiekenkruis met de bovenas zijn bevestigd onder de kap van de molen.

De molen is opgebouwd uit baksteen of uit hout waar bovenop een draaibare kap is aangebracht. De kap met daarin de molenas waaraan de wieken zijn bevestigd rust op rollen. Deze kap kan men verdraaien ('kruien') waardoor het mogelijk is om het wiekenkruis op de windrichting te draaien. Vandaar de naam bovenkruier voor dit type molen.
Het draaien van de kap of het kruien geschiedt vanaf de grond buiten de molen. Een zware houten balken constructie, genaamd de 'staart' is hiervoor aan de kap van de molen bevestigd en reikt net boven de grond rond de molen.
Om wrikken te voorkomen is de molenkap doorstoken door twee horizontale balken, de spruiten en de vier uiteinden daarvan zijn met lange schoren aan de staart verbonden. Een stevig kruiwiel is aan de onderzijde van de staart aangebracht. Met dit kruiwiel kan een ketting worden opgewonden die met het losse uiteinde is vastgelegd op een zware in de grond aangebrachte paal. Deze palen staan in een cirkel om geheel de molen in de grond. Door het opwinden van de ketting op de trommel van het kruiwiel kan men de kap met de wieken rondtrekken.

Het is dus de taak van de molenaar om de wieken in die stand te kruien, dat ze zoveel mogelijk kracht uit de wind halen.


1. Askop.             6. Vang.            11. Kruirad.              16. Roede / wiekenkruis.
2. Halssteen.         7. Vangstok.     12. Bovenloopschijf.
3. Windpeluw.       8. Pensteen.      13. Koningsspil.
4. Molenas.           9. Staart.           14. Waterwiel.
5. Bovenwiel.       10. Vangtouw.    15. Scheprad.


DE MOLENWIEKEN.

Iedere molen heeft vier wieken. Deze wieken, welke vroeger van hout waren, worden tegenwoordig gevormd door twee lange holle balken van metaal die achter elkaar door de askop van de molen zijn gestoken.
Men spreekt ook van twee roeden, welke men onderscheidt in een buiten- en binnenroede.
De binnenroede bevindt zich het dichtst bij de molenromp. De beide roeden zijn licht gebogen in de lengte. De binnenroede meer dan de buiten roede.
Dit is gedaan, opdat de roeden zoveel mogelijk in één vlak zullen draaien.



Op regelmatige afstand zijn in de zijkanten van iedere roede gaten gemaakt, waarin de heklatten steken.
Door een drietal lange heklatten welke evenwijdig aan de roede lopen, de z.g. 'zoomlatten' zijn ze verbonden.
De roeden, heklatten en zoomlatten vormen tezamen vier enigszins schroefvormig gebogen vlakken.
Als dit vier platte vlakken waren geweest, die loodrecht op de wind-
richting zouden staan, dan zou de wind het wiekenkruis niet in een draaiende beweging kunnen brengen.

Daar het niet altijd even hard waait en men toch een zo hoog mogelijk rendement uit de wind wenst te halen, legt men molenzeilen op de wieken. Afhankelijk van de windsterkte worden deze deze geheel of gedeeltelijk uitgerold over het wiek oppervlak.



Bij een matige wind draait de molen met volle zielen of van "top", bij een krachtige wind met halve zeilen of "gezwicht" en bij zeer harde wind zonder zeilen, ook wel "lege hekken" genoemd.

Om een molen stil te zetten of te houden, gebruikt men een reminrichting of vang. Deze werkt op de buiten omtrek van het bovenwiel, die in de kap van de molen om de molenas is vastgezet met wiggen.
Deze rem is te vergelijken met de remblokken van een treinstel. Een aantal gebogen en aan elkaar verbonden wilgenhouten blokken, heeft men rond dit grote wiel, wat aan de buitenzijde glad is afgewerkt, aangebracht.
Wordt de vang niet gebruikt dan laten deze blokken het bovenwiel net vrij ronddraaien, doch moet de molenaar zijn molen tot stilstand brengen, dan kan hij van buiten vanaf de grond, door aan het vangtouw te trekken, deze reeks houten rondom het bovenwiel klemmen, waardoor langzaam de vaart uit de molenwieken begint te geraken en deze langzaam tot stilstand komen.


DE TAAL VAN DE WIEKEN.

De stand van de wieken heeft haar eigen taal, als de molen stilstaat.
1. De vreugdestand, welke bij al de soorten feestelijkheden kan worden toegepast, zoals de geboorte van een kind of een nationale feestdag.
2. De rouwstand, welke wordt toegepast bij het overlijden van iemand uit het molenaars gezin, maar ook bij een nationale doden herdenking.
3. Dit is de tijdelijke stilstand van de molen.
4. Langere stilstand van de molen, daar er geen werk is voor de molenaar.
5. Een verzoek om bijvoorbeeld in een noodgeval zo snel mogelijk naar de molen te komen.
6. Een bruiloftsviering. (hoofdzakelijk in Friesland.)


HET HART VAN DE MOLEN. 

Met het hart van de molen bedoelen we al die bewegende delen welke zich binnen in de molen bevinden. 


Boven in de kap vinden we de molenas. Aan de zijde waar deze de kap binnenkomt rust deze as op een zware houtenbalk, de z.g. windpeluw. Deze balk draagt ook het volle gewicht van de direct buiten de kap in de molenas bevestigde roeden.
Onder de molenas bevindt zich een enigszins uitgehold stuk natuursteen, de z.g. halssteen, waarin de molenas draait.
Aan het einde van de molenas, die vanwege de licht hellende stad van het gehele wiekenkruis natuurlijk ook hellend in de kap van de molen ligt, draait deze in een tweede steen, de z.g. pensteen. Beide draagpunten worden goed met vet gesmeerd.
De beweging van de molenas wordt overgebracht op een dikke houten as, de koningsspil, die verticaal in de molen is geplaatst. Deze overbrenging is mogelijk doordat om de molenas een groot houtenwiel, het z.g. bovenwiel is vastgewigd.


Dit bovenwiel is voorzien van kammen, dat zijn houten tanden die grijpen in houten staven van het rondsel of schijfloop, die aan de top van de koningsspil is bevestigd.
De ronddraaiende koningsspil brengt de draaiende beweging en de kracht uit de wind over naar beneden in de molen. Onder aan de koningsspil is weer een rondsel of schijfloop aangebracht, dat op zijn beurt een groot wiel aandrijft, het waterwiel. Dit waterwiel- of onder wiel is vastgewigd op dezelfde as als die , waarop het scheprad is vastgemaakt.


Als dus de wieken draaien en deze een draaiende beweging veroorzaken in het scheprad komt de waterverplaatsing in de polder tot stand. Bij iedere twee omwentelingen van het wiekenkruis gaat het scheprad één maal rond. Naarmate de snelheid van de wieken hoger is, is ook de verplaatsing van het water groter. Hoe hoger het water opgevoerd moet worden, zoveel meer kracht is er nodig om de wachtdeur te openen en het water daar te krijgen waar men het wenst te hebben. 


DE MOLEN WONING.

1. Huiskamer.                                              7. Keuken met waterpomp.
2. Bedstede voor het echtpaar.                     8. Water- of onderwiel.
    met aan het voeteneind de babybak.         9. Scheprad. 
3. Bedstede voor de kinderen.                    10. Ingang voor het uit te malen polderwater.
4. Bergkastjes.                                           11. Uitloop voor het water.
5. Toegang tot de kelder.                            12. Kruipalen voor het ronddraaien van de molenkap.
6. Gang door de molen met aan iedere
    zijde een in- uitgang deur. 

Al de molens van Kinderdijk zijn nog bewoond. De Nederwaard Molen 2 is ingericht als een bezoekers molen. Hier krijgt men een goede indruk van hoe een molenaars gezin leefde. Vanuit een hoger gelegen venster van de molen heeft men een fraai uitzicht over de polder.


De molen heeft aan iedere zijde van de gang een deur. De rede hiervoor is, dat men nooit daar naar buiten loopt aan die zijde waar de wieken draaien.
Een klap van een draaiende wiek heeft meestal een dodelijke afloop. 
De taak van de molenaar was om er voor te zorgen dat het waterpeil op het juiste niveau werd gehouden. Tevens diende hij er voortdurend op te letten uit welke richting de wind waait en indien nodig de wieken op de wind te zetten.
Het gehele gezin werd bij de werkzaamheden in de molen betrokken.




De huidige bewoners van de molens bemalen de polder alleen nog op vrijwillige basis sinds de komst van het moderne vijzelgemaal.


EEN STUKJE GESCHIEDENIS.

Het gebied Kinderdijk ie reeds vanaf de 10e of de 11e eeuw bewoond. De toenmalige bewoners gingen het veen ontginnen en ontwaterden het gebied door de aanleg van sloten en weteringen. Oorspronkelijk loosde men het water op natuurlijke wijze af. Via veenriviertjes werd het overtollige regenwater afgevoerd naar de grote rivieren rondom de Alblasserwaard en de Vijfherenlanden.
Door inzinking van de grond en het stijgende waterpeil op de rivieren moest men via dijken en sluizen het land droog houden.
De polderbesturen moesten gaan samenwerken en zo ontstonden het Waterschap De Overwaard en De Nederwaard.



In 1277 richtte Floris V het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard op. Dit heemraadschap legde als eerste een dijk aan rondom het gehele gebied, met sluisjes in de Giesen (bij Giesendam) en de Alblas (bij Alblasserdam). Bij laagwater kond het water op de rivier geloosd worden. Een dijk was een van de eerste menselijke kunstgrepen die vanaf 1000 n.Chr. reeds werd toegepast om het veen- en moerasgebied in te dammen.
Dit bleek ook niet voldoende in de jaren en zo werd besloten een uitwatering op een plaats te maken met een laagste waterstand buiten de polder en werd het de meest noordwestelijke punt van de Alblasserwaard, bij Kinderdijk. In 1366 werden boezems aangelegd op de laagste plaats van de Alblasserwaard. Hier kon nog water door middel van sluizen op de rivier geloosd worden. De vloed van 1421 maakte duidelijk, dat er meer gedaan moest worden om deze zwakke gebieden met landbouwgronden en haar bewoners te beschermen.



Omstreeks 1400 stond er reeds een watermolen in het gebied maar deze kon alleen het gebied niet drooghouden. Na steeds terugkerende wateroverlast werd in 1726 bouwde men in 1738 in de Nederwaard de acht ronde stenen z.g. voor- of bovenmolens.
Twee jaar later begon men aan de andere zijde, De Overwaard met de bouw van de acht achtkantige, met riet bedekte molens.
Met behulp van deze molens kon het water in hoge boezems één meter hoger worden verplaatst. Vanuit de hoge boezem kon, afhankelijk van de waterstand  in de rivier de Lek, weer worden geloosd.
Het onderhoud aan de molens koste veel geld en ook werden de regelmatig buitenwerking gesteld door bliksem inslag.
Zo werden er in 1868 twee stoom gedreven gemalen gebouwd ter vervanging van de molens die alleen bij zware regenval weer in werking werden gesteld.




Tegenwoordig hebben twee moderne gemalen de waterbeheersing in het gebied overgenomen. Het zijn vijzel gemalen.
Het J.U.Smitgemaal heeft een capaciteit van 1.350 m³ water per minuut. Het Overwaard gemaal heeft een capaciteit van 1.500 m³ water per minuut.
In 2001 is een derde bemalingstrap in gebruik genomen om nu ook bij hogere rivier waterstanden het water te kunnen lozen.
Maar de huidige klimaatsverandering zal in de toekomst nog wel eens voor nieuwe problemen kunnen gaan zorgen.



Na de ingebruikname van de moderne gemalen raakten veel molens in verval, daar de molenaars geen vast inkomen meer hadden en zodoende de kosten voor het onderhoud niet meer konden dragen.
In juli 2008 begon men met de restauratie van 11 van de 19 molens. Een subsidie van 2,5 miljoen euro van het Ministerie van OCW en een subsidie van één miljoen euro van de provincie Zuid-Holland en het waterschap Rivierenland maakte dit mogelijk.
Het lag in de bedoeling dat al de molens in 2010 weer operationeel konden draaien.


DE NAAM KINDERDIJK.


Kinderdijk droeg vroeger de naam Elshout. Over de verandering van de naam doen zich verschillende verhalen de ronde:
Een triest verhaal is, dat de naam Kinderdijk is ontstaan, daar met behulp van kinderarbeid deze dijk tot stand is gekomen.
Een ander verhaal speelt zich af tijdens de grote Elisabethvloed in 1421.

Toen de storm eenmaal geluwd was gingen de bewoners die het hadden overleefd door de dijk op te gaan, kijken wat er nog te redden was van hun aangespoelde bezittingen. In de verte zag men een wiegje drijven op het water wat in evenwicht werd gehouden door een kat welke bij iedere golfslag heen en weer sprong.
Toen het wiegje uiteindelijk bij de dijk aanspoelde bleek dat er een baby in lag welke rustig lag te slapen en zelfs droog was gebleven.
Sindsdien zou de dijk, "Kinderdijk" genaamd zijn.


VERLEDEN EN HEDEN.

 

De Kinderdijk is een plaats waar al eeuwenlang de waterstand in  de Alblasserwaard wordt geregeld.
Het is een uniek gebied dat nog steeds bestaat uit een stelsel van vaarten, boezems en de molens waarmee oorspronkelijk de uitwatering op de rivier de lek werd verzorgd.
Kinderdijk is in feite een monument voor de strijd tegen het water, zoals die met vernuft en doorzettingsvermogen door de eeuwen heen is gevoerd door de bewoners van het gebied.
De ruime open omgeving, nodig om het gebruik van de wind optimaal te kunnen benutten is nog grotendeel in oorspronkelijke staat.  



Om deze reden is in 1997 het gehele molencomplex en het gebied waarin ze liggen op de Werelderfgoedlijst van UNESCO geplaatst. Dit mag worden gezien als een erkenning van het belang en een verantwoordelijkheid voor het beheer en behoud van het gebied voor de toekomst.

( Voor meer informatie; www.kinderdijk.nl )
  

woensdag 17 september 2014

MUIDERSLOT IN MUIDEN.

RIDDERS EN DICHTERS.

MUIDEN.

De gemeente Muiden ligt in Noord-Holland aan het IJsselmeer en aan de A1 of de E231 en is een oude Hanzestad.
Het ontstaan van deze gemeente ligt in de vroege periode van de middeleeuwen en werd vermeld onder de naam 'Amuthon' of te wel de monding van de A. De 'A' is de oude naam voor de huidige rivier de Vecht.
In 953 schonk koning Otto I alle goederen behorende tot de villa Amunda en de daar geheven tolgelden aan het Domkapittel van Utrecht.

In het jaar 1122 kreeg Muiden samen met Utrecht stadsrechten van keizer Hendrik V. Bij Muiden ging het alleen om stedelijke rechten.
In 1281 kreeg de graaf van Holland, Floris V, de zeggenschap over Muiden. Muiden viel nu onder het graafschap Holland, maar stond formeel onder toezicht van de bisschop van Utrecht. In 1285 verkreeg Muiden uiteindelijk de fel begeerde stadsrechten van de bisschop.



Muiden en het bijbehorende land werd aan graaf Floris V van Holland geschonken en deze verleende Muiden op zijn beurt in 1296 opnieuw zijn stadsrechten. In dat zelfde jaar werd Floris V, welke heer ook de bouwer van het Muiderslot was, door de edelen  te Muiderberg vermoord. Muiden ging onrustige tijden te gemoed.





VESTINGSTAD.

In 1576 vond werd Muiden aangevallen en een Staatse belegering onder leiding van Diederik Sonoy tijdens de toen heersende 80-jarige oorlog vond plaats. Uiteinde lijk werd de stad ontzet door het Spaanse leger na zware gevechten.
Muiden werd een vestingstad en zou dat tot het begin van de 20e eeuw blijven.
In de 15e eeuw werden er aarden wallen aangelegd en ook het Muiderslot kreeg een omwalling. Door de dreiging van oorlogsvoering in de omgevende landen werd na de Frans-Duitse Oorlog (1870-1871) de vesting gemoderniseerd. In de aarden vesting wallen werden bunkers gebouwd voor een bomvrij onderkomen. Wat hier nog aan herinnert is o.a. het Muizenfort, wat de naam dankt aan de kleur van de uniformen die men er droeg, en de 'Holle Beer'.



De Stenen Beer van Bastion is een dam in de vestinggracht die het zoute water van de Zuiderzee van het zoete water in de gracht moest scheiden.
Deze dam ligt tussen het Muiderslot en de Zuiderzeedijk.
Boven op het dak van deze holle sluisbeer welke een lange gang heeft van 40 meter staat een zgn. monnik. Deze monnik moest voorkomen dat de tegenstander over de beer van de ene naar de andere zijde kon lopen.
De beer is voorzien van schietgaten voor de verdediging. Vanuit de lange gang kan men de inundatiesluis bedienen voor her in- en uitlaten van het water.
Aan de overzijde van de Vecht tegen over het Muiderslot staat een fortificatie uit 1868. Het is een torenfort met daarvoor een batterij in het dijklichaam.
Muiden maakte ook deel uit van de Stelling van Amsterdam, fort eiland Pampus, de Hollandse Waterlinie en later de Nieuwe Hollandse Waterlinie. 


ZEESLUIS.

Een langdurig strijdpunt van zeker een eeuw tussen het graafschap Holland en het Bisdom Utrecht was de bouw van een sluis aan de monding van de Vecht bij de Zuiderzee. De Vecht was voor Utrecht een belangrijke waterweg voor de handel via de Zuiderzee. Utrecht had in 1437 reeds een eigen sluis gebouwd bij Hinderdam welke ongeveer 5 kilometer landinwaarts lag en onder de controle van het bisdom viel.
In 1672 werd Utrecht bezet door het Franse leger en Holland zag hierdoor de kans schoon om te beginnen aan de bouw van een grote zeesluis gelegen bij Muiden. Dit betekende dat de scheepvaart komende en naar Utrecht varend tol moest betalen.
In 1674 kwam de dubbele schutsluis gereed en had aan beide zijden uitwaterings- annex spuisluizen.
Het complex had tot taak om van beide zijden het water te keren. Bij vloed vanaf de zeezijde en bij eb vanaf de rivierzijde. Aan de zeezijde waren extra zware deuren gebouwd welke bij een stormvloed gesloten konden worden. Bij stormvloed was er dan ook geen mogelijkheid om te schutten in de sluis.
De schutsluis had een lengte van 50 meter en een breedte van 7,5 meter. Het complex werd in 1676 uitgebreid met een muur langs de monding van de Vecht om overstromingen te voorkomen.
Buiten dat de sluis bestemd was voor het schutten van schepen had de sluis een militaire functie en maakte zij deel uit van de Hollandse Waterlinie. In geval van inundaties was de beheersing van de inlaat van Zuiderzeewater essentieel. De sluis voorkwam ook het wegvloeien van het water uit de stroomopwaarts gelegen gebieden die geïnundeerd waren.
Na het opheffen van Muiden als een vesting in 1926 en het afsluiten van de Zuiderzee door de Afsluitdijk in 1932 nam het belang van de sluis af.
Nadat de sluis is gemoderniseerd wordt ze hoofdzakelijk gebruikt voor de pleziervaart.


WAPEN EN VLAG VAN MUIDEN.


Het wapen van Muiden is op 26 juni 1816 door de Hoge Raad van Adel toegekend aan deze Noord-Hollandse gemeente. Het schild is van lazuur met in het midden een horizontale baan van zilver. het wordt gehouden door twee schildhouders: een zeemeerman en een zeemeermin. 
Hij houdt een drietand in zijn vrije hand en zij een spiegel. Met hun staarten houden zij een zilveren lint omhoog met de opschrift: Sig. Opp. Mudesis ( zegel van de stad Muiden)
In tegenstelling tot veel ander wapenschilden wordt dit schild niet gedekt met een kroon, maar met een gouden schelp waar een plant uit komt groeien.


SAGE.

Over de zeemeerman en de zeemeermin in het wapen bestaan twee verschillende sage's.
In de eerste sage wordt gesproken over een profetische tekst van de zeemeermin: "Mude zal Mude blijven, Maar Mude zal noit becliven"". Deze tekst zou er op duiden dat Muiden nooit verloren zou gaan. maar dat het geen belangrijke plaats zal worden tussen Utrecht en de Zuiderzee.
De tweede sage is meer romantisch van aard.
Vissers zouden bi het binnenhalen van hun visnet een zeemeermin in hun net hebben aangetroffen. Als zij onderling met elkaar overleggen aan wie ze deze vangst zouden schenken stelde de zeemeermin hun voor haar vrij te laten, daar ze niet lang boven water kon blijven leven. Zo besloten ze haar vrij te laten en terwijl ze weg zwemt zingt zij: "Muiden zal Muiden blijven, Muiden zal nooit beklijven". Na de laatste klanken van haar lied duikt ze onderwater om nooit meer gezien te worden.
Sindsdien zijn veel dorpen en steden tot bloei gekomen of in verval geraakt, maar Muiden is blijven bestaan.
Ook over de kleuren in het wapen zijn verschillende meningen. Het zilver zou de Vecht moeten voorstellen, maar het zijn ook de kleuren van de Hanze, waartoe de stad behoorde.  


 De huidige vlag van Muiden kwam op 21 november 1963 ter vervanging van de oude gemeentevlag.
De vlag heeft de zelfde gekleurde drie horizontale banen als in het wapen van de stad. Alleen heeft zij aan de mastzijde een gele driehoek, de zogenaamde broekingsdriehoek.





Wie Muiden zegt zegt Muiderslot. 
Het is een van de best bewaarde middeleeuwse kastelen van Nederland. Het is niet alleen het oudste kasteel van Nederland, maar ook het bekendste.
De bezetting van het Muiderslot had met zijn 48 schietgaten een volledige controle over het gebied in de bloei van haar tijd.
Het bijna vierkante kasteel van 32 bij 35 meter met zijn ronde hoektorens en fraaie poorttoren beantwoord in alle opzichten aan het archetype van een echt kasteel. Wanneer men precies met de bouw van het kasteel is begonnen is niet met zekerheid vastgesteld.




Men gaat er van uit dat rond 1280 door graaf Floris V begonnen is met de bouw van het kasteel op reeds bestaande vestingmuren met vier ronde torens welke even hoog als de muur waren.
Volgens  oude geschriften werd het kasteel omstreeks 1285 gesticht door Floris V, welke leefde van 1254 tot 1296, nadat hij het gebied rond Muiden onder zijn beheer kreeg.
Floris V had de bijnaam "der keerlen god" (god van de boeren), wat hem populariteit bij het volk opleverde.
In 1291 riep hij zich uit als heerser over Friesland, maar had alleen West-Friesland (Noord-Holland) onder zijn bewind. In dit gebied bouwde hij een vijftal dwangburchten nabij Medemblik, Alkmaar en Wijdenes. Hij voerde oorlog tegen de Friezen om de moord op zijn vader te wreken.



Tijdens een valkenjacht op 23 juni 1296 werd Floris V door zijn eigen edelen overmeesterd en ontvoerd naar het Muiderslot. Toen de bevolking hem wilde ontzetten sloegen de ontvoerders met hem op de vlucht. Bij Muiderberg kwam het tot een treffen, waarop de edelen hem op brute wijze ombrachten.




Tijdens zijn leven liet Floris V de statige en feestelijke Ridderzaal bouwen in Den Haag, zijn grafelijke woonplaats met koninklijke allure.De Ridderzaal werd gebouwd naar voorbeeld van de Westminster Hall in Londen.
Floris V onderhield nauwe contacten met de Engelse koning Eduard welke een bondgenoot van hem was.







Na de dood van Floris V zag zijn aartsvijand bisschop Willem Berthout van Mechelen uit Utrecht zijn kans schoon en trok naar Muiden, waar hij het slot bestormde en maakte het met de 'grond gelijk'.
Het grotendeels verwoeste kasteel werd na 1370 door graaf Hertog Albrecht herbouwd op de oorspronkelijke restanten en uitgebreid tot zijn huidige vorm.
In de 80-jarige oorlog werd in 1577 het slot ingenomen namens Willem van Oranje.


Het kasteel werd gebouwd aan de monding van de Vecht in de Zuiderzee, waar tegenwoordig het IJmeer ligt op een zandplaat. De poortdeuren die er nu zijn waren er vroeger niet en het kasteel was alleen bereikbaar via een ophaalbrug welke in gesloten toestand de ingang tot het kasteel afsloot.
Het gemetselde deel van de brug was vroeger ook van hout, maar dit deel is pas honderd jaar oud.
In de tijd van het bestaan van het kasteel zijn er vele aanpassingen gedaan. Zo dateren de geknikte dakconstructie van de daken en de nieuwe overdekte borstweringen van de torens en de zolderverdiepingen uit het einde van de 19e eeuw.
Door middel van een ketting over de Vecht kon men op die manier tol heffen bij de langsvarende schepen.
De muren van het kasteel zijn gemiddeld anderhalve meter dik. De woonvertrekken van het Slot bevinden zich aan de zijde van de rivier de Vecht en de voormalige Zuiderzee. In die tijd had de Zuiderzee nog een open verbinding met de Noordzee.





















Op de ruime binnenplaats van het kasteel vindt men rechts in de hoek een eretrap welke toegang biedt tot de Ridderzaal van het kasteel. Deze trap werd uitsluitend gebruikt door de kasteelheer en zijn hoge gasten.
Twee vergulde leeuwen op de balustrade verwijzen met hun schilden naar het wapen van de graaf van Holland, de bouwheer van het kasteel.
In het midden van de binnenplaats staat een oude waterput welke ruim honderd jaar geleden is gebouwd. De oorspronkelijke middeleeuwse waterput bevindt zich nog steeds bij de eretrap. Deze waterput was bereikbaar van drie verschillende plaatsen; vanaf de binnenplaats, vanuit de de achterliggende toenmalige bakkerij in de kelder en vanuit de daarboven gelegen keuken.



Het slot kent buiten de middeleeuwse kerkers, torenkamers, wapenkamer, herautenkamer, jachtkamer ook verschillende privé ruimten. In de wapenkamer staat nu een verzameling wapentuig tentoongesteld wat tijdens de middeleeuwen in gebruik was zoals harnassen, steek- of stootwapens zoals hellebaarden en spontons, zwaarden, kruisbogen, stenenkogels en de eerste vuurwapens uit die tijd, de haakbus en musket.


Verder zijn er in het slot de meest vernuftige verdedigingssystemen die de vijand op afstand diende te houden te bezichtigen.




Uiteraard moesten ook de kasteel bewoners hun behoeften doen.
Een kleine ruimte daarvoor noemde men het "gemak".
Deze ruimten waren aan de buitenmuur van het kasteel gebouwd.
Van een spoelsysteem was in die tijd nog geen sprake. De slotgracht werd dus, behalve voor de verdediging van het kasteel ook gebruikt om uitwerpselen in te lozen. Deze plaatsen waren als een vuile bruine streep zichtbaar op de muren van het slot. Dit gebeurde ook met het afval uit de keukens.
Zo werden er veel bacteriën gekweekt in het water van de slotgracht, wat weer ziektes tot gevolg had.
In de winter als de slotgracht was bevroren dekte men de uitwerpselen af met stro of hooi.
Het Muiderslot bezit in totaal negen gemakken; er zijn er vijf zichtbaar.




Buiten ridders die het slot bewoonden heeft het ook dienst gedaan als gevangenis en kazerne.
Maar een van de latere belangrijke bewoners was de letterkundige en historicus Pieter Cornelis Hooft (1581-1647) die er zijn eigen woon-schrijfkamer had. Hij was een van de leden van de Muiderkring, waarvan de leden in de jaren 1615-1645 op georganiseerde bijeenkomsten van de Drost van Muiden bij een kwamen. Tot de Muiderkring behoorden o.a. Constantijn Huygens, Joost van den Vondel en Gerbrand Adriaensz Bredero. Verder kwamen er geleerden als Gerardus Vossius, Casparus Barlaeus en Hugo de Groot.




Tussen de jaren 1956 en 1972 vond er een grote restauratie plaats. Het ging er om het slot te behouden zoals het zich door de eeuwen heen had ontwikkeld. Veel eerdere ingrepen bij een eerdere restauratie werden veranderd of verwijderd, zoals de aangebrachte betimmering en de schouw in de Ridderzaal.
Zo kreeg de Ridderzaal door een nieuwe marmeren vloer een bijna koninklijk allure.
Het merendeel van de meubels, gebruiksvoorwerpen en schilderijen die momenteel in het kasteel te zijn bezichtigen stammen uit de 17e eeuw.


   FLORIS V

 GRAAF VAN

HOLLAND EN

   ZEELAND. 



         



Tegenover de ingang van het kasteel liggen de fraai aangelegde kruiden- en groente tuinen van het kasteel.

( Voor meer informatie; www.muiderslot.nl )

zaterdag 13 september 2014

URK EENS EEN EILAND IN DE ZUIDERZEE.

EEN VISSERSDORP BIJ UITSTEK.










Urk, nu een gemeente gelegen in het zuid-westen van de Noordoostpolder was eens een eiland. 
Tot het gereedkomen van de dijk in 1939 die Urk met Lemmer verbond was Urk een eiland in het IJsselmeer, de voormalige Zuiderzee.
In 1942 werd de Noordoostpolder drooggemalen en behoorde Urk tot het vaste land. Maar de Urker woont nog steeds 'op Urk' en niet in Urk.
Urk is een zeer hechte, gesloten en kerkelijke gemeenschap, waar het dialect nog steeds de taal is die er gesproken wordt.
Urk eens een vissersdorp heeft heden ten dage de verreweg grootste vissersvloot en visverwerkende industrie van Nederland.

In 1819 kreeg Urk op 26 november een eigen wapen. Het werd omschreven als volgt: "Zijnde van lazuur, beladen met een schelvis in zijne natuurlijke kleur."
In dit wapen komt tot uiting dat Urk van oudsher een vissersgemeenschap is. Het wapen komt ook voor in de vlag van Urk welke in 1964 werd toegekend. De omschrijving van de vlag luidt: "blauw met een witte schelvis, langs de bovenzijde een smalle, in twee horizontale banen van rood en wit verdeelde zoom en langs de onderzijde van de vlag een smalle, in twee horizontale banen van rood en wit verdeelde zoom, de zomen met een hoogte van elk 1/6 van de totale vlaghoogte.  

Dat Urk samen met Schokland eens een eiland waren in de Zuiderzee is duidelijk de zien op een oude kaart van de Zuiderzee. Door hun afgelegen ligging in het water is het niet verwonderlijk dat het een afgesloten gemeenschap was die alleen via de scheepvaart verbinding had met de vaste wal.







Evenals de bevolking van Schokland staan de Urkers bekend om hun fraaie traditionele klederdracht die op zon- en feestdagen nog steeds wordt gedragen.




















Een wandeling door het stadje en langs de haven is de moeite waard. Hier komt steeds de geschiedenis van van een vissersvolk tot leven. Oude vissersscheepjes liggen naast elkaar afgemeerd aan de kade en visnetten hangen er te drogen.

Ondanks het het geen eiland meer is, is de scheepvaart nog steeds een bron van inkomen voor de Urker bevolking.
In 1840 werd de eerste scheepswerf opgeleverd en verbouwden de Urkers er hun eigen botters.
Vanwege de scheepswerf hellingen, waarop schepen werden gebouwd en  werd ook de haven steeds verder uitgebreid
Nog steeds worden er schepen  gerepareerd op de oude hellingen aan de grens tussen de dorpsgrens en het water.
Buiten de visvangst is voor de gemeente de jachthaven een enorme bron van inkomsten aan liggelden en water- en stroomvoorzieningen van deze jachten. Vlaggen van vele naties zie je hier vertegenwoordigd. 


                                    ( Een zicht op een van de oudste scheepshellingen van Urk.)

Hoog boven de huizen van het eiland Urk steekt de vuurtoren van het eiland uit. Deze toren heeft in het verleden, maar ook heden, een belangrijke functie voor de scheepvaart.

Voordat de Zuiderzee was afgesloten door de Afsluitdijk en het watergebied het IJsselmeer werd kon het zwaar stormen in het gebied. Vooral de zware grondzeeën op de ondiepten en de zandbanken vormden een gevaar voor de scheepvaart.
Om er voor te zorgen dat de vissers hun veilige haven konden bereiken hielden de vrouwen aan wal er 's nachts vuren brandend om de schepen binnen te loodsen.

In de 17e eeuw nam de grote handelsvaart vanuit Amsterdam sterk toe. De schepen koersten vanaf de rede van het IJ eerst in de richting van Urk om vandaar naar het noorden te koersen. De schippers oriënteerden zich op de kerktoren van Urk en 's nachts op de vuren van de vissersvrouwen.
Deze vuren waren niet altijd een goed baken om op de koersen, daar ze bij zware regenval vaak doofden.
Om deze rede n werd er in 1617 op Urk een vuurbaak gebouwd. Een vierkante toren met een kolenvuur er op wat op al de dagen van het jaar in gebruik diende te zijn op verzoek van de handelaren uit Amsterdam.
Dit was niet gebruikelijk, daar men elders dit vuur beperkte tot de wintermaanden. Om aan de kosten tegemoet te komen, werd door de handel het dubbele vuurgeld betaald.
Dit vuur diende niet alleen voor de schippers om hun koers te bepalen maar ook als waarschuwing voor de zandbank, De Vormt, welke voor het eiland was gelegen. Deze ondiepte was een waar schepen kerkhof geworden.  Zij die er op vast liepen hadden weinig kans hun schip te behouden.

In 1660 werd het eiland Urk eigendom van de gemeente
Amsterdam. Door zware stormen nam de zee steeds meer land van het eiland en pleegde de gemeente Amsterdam veel onderhoud aan de zeewering om het eiland te behouden.
De zee rukte steeds verder op naar de plaats van de vuurbaak op het land en men trachtte instorting te voorkomen door er een stenen dam omheen te storten.
In 1837 gaf men de pogingen op de vuurbaak te redden en werd er besloten een nieuwe vuurbaak meer landinwaarts te bouwen.
Deze nieuwe houten vuurbaak kreeg een draailicht en was na de Brandaris op Terschelling de tweede met een draailicht aan de Nederlandse kust. Toch al snel voldeed deze houten vuurbaak niet meer.

 In 1844, tijdens de regering periode van koning Willem II, werd er een bakstenen toren op het eiland gebouwd en een jaar na aanvang van de bouw kon het licht erin worden ontstoken.
De optiek van de oude vuurbaak was naar de nieuwe bakstenen toren verplaatst. 
Zo vormde het hoge licht van de toren samen met het havenlicht een rechte lichtlijn om de schepen te begeleiden die de haven wilde invaren.




In 1885 werd ter eer en glorie van "De Heer" de kerk vergroot en de toren verhoogt. Met deze verhoging had men geen rekening gehouden met het licht van de vuurtoren en zo geschiedde het, dat het licht niet meer vrijuit naar het oosten kon schijnen. De kerktoren te verlagen was uiteraard geen optie en zo werd uiteindelijk besloten om het probleem op te lossen om de vuurtoren te verhogen.
Ondanks dat Urk door de inpoldering van de Noordoostpolder geen eiland meer was bleef de vuurtoren van belang voor de scheepvaart en werd het licht in 1988 geautomatiseerd.
De huidige vuurtoren heeft een lichthoogte van 27 meter, een lichtsterkte van 40.000 kaarsen en is zichtbaar op een afstand van 18 zeemijl (33,3 kilometer).


Ondanks dat Urk geen eiland meer is bleef de tijd er niet stilstaan. De botters waarmee men vroeger viste om de Zuiderzee en later het IJsselmeer maakten plaats voor grotere vissersschepen die hun vangst halen op de Noordzee. Groter scheepswerven zijn er gebouwd voor deze trawlers en jachten.


Karakteristiek zijn de versieringen aan de nok van de gevel van de huizen in Urk. Een versiering die men ook in Friesland veel tegenkomt.
Last van een knorrende maag na het rondwandelen in het dorp en langs de haven, dan is een maaltje vis niet te versmaden in een van de vele eetgelegenheden.
Bij de haven is een grote ruime parkeerplaats waar men vrij kan parkeren.