donderdag 17 april 2014

ADMIRALITEITSSTEDEN VAN NEDERLAND. (DEEL 3)

DE TIEN HISTORISCHE ADMIRALITEITSSTEDEN. (3)

HOORN.


De Admiraliteit van het Noorderkwartier werd in 1573 tegelijk met die van Maze opgericht.
Vanaf 1597 zetelde de raad om beurten in Hoorn en Enkhuizen. Tot het midden van de achttiende eeuw werden in Hoorn nog linieschepen gebouwd, maar gaandeweg liet de admiraliteit de bouw daarvan steeds meer over aan de Amsterdamse werf.



In de achttiende eeuw verzandde de haven van Hoorn, waardoor de handelsschepen doorvoeren naar Amsterdam of naar Zaandam.
Ook voor de marine werd de haven minder aantrekkelijk. In 1830 werd Hoorn, toen nog alleen een sloepenwerf, door de marine als werflocatie en marinehaven opgeheven.




Het enigste wat nog getuigd van de Admiraliteit in Hoorn is het Admiraliteitspoortje bij het Kerkplein.
Boven de ingang het wapen van de admiraliteit de twee gekruiste ankers met daarop in het midden het wapen van stad Hoorn.













ENKHUIZEN.


Om in de Sint Pietershaven bij de admiraliteitswerf te komen, moesten de marineschepen door de Rommelhaven, de Nieuwehaven, de Kuipershaven en het Oorgat, een trajet met drie bruggen en twee bochten van negentig graden, wat voor marinedoeleinden bezwaarlijk was.






Eind 17de eeuw raakte Enkhuizen ook economisch in verval. De oorlogen met Engeland, het verzanden van de havenmond en de concentratie van de handel op Amsterdam, zorgden ervoor dat Enkhuizen veel marineactiviteiten kwijt raakte.
Enkhuizen werd tegelijk met Hoorn in 1830 als marinelocatie opgeheven.
  


DOKKUM.

De Friese admiraliteit, opgericht in 1597, werd aanvankelijk gehuisvest in het oude raadhuis van Dokkum.
In 1618 verhuisde de organisatie naar 'Het Admiraliteitshuis'.
In de haven waren voorzieningen aanwezig die de Friese Admiraliteit nodig achtte voor twee oorlogsschepen die de Wadden onder controle moesten houden.
De stad ontbeerde echter een grote werf en magazijnen, terwijl het Dokkumerdiep aan verzanding onderhevig was.
Al in 1603 werd een eerste voorstel gedaan om de admiraliteit naar Harlingen te verplaatsen. Dit vond uiteindelijk daadwerkelijk plaats in 1645.

( De fraaie ingang met opgaande trap en boven de deur het wapen van de Admiraliteit van het admiraliteitsgebouw in Dokkum.)











HARLINGEN.


In 1580 was de haven van Harlingen uitgediept en in 1600 werd de Zuiderhaven aangelegd.
Al lang voor de verhuizing van Dokkum naar Harlingen in 1645 werden er schepen voor de Friese admiraliteit gebouwd en uitgerust.
Bijna twee eeuwen lang was Harlingen een marinestad met uitgebreide walvoorzieningen en scheepsbouwfaciliteiten.
In de 18de eeuw had de admiraliteit veel last van de economische crisis in Friesland, maar tijdens de Vierde Engelse Oorlog 91780-1784) werd de werf nog van één tot vier hellingen uitgebreid. Toch bleef de admiraliteit armlastig en al in de Bataafse-Franse Tijd (1795-1813) werden de faciliteiten van de hand gedaan.



                                 ( De fraaie trapgevel van het admiraliteitsgebouw in Harlingen.)

Tegenwoordig is Den Helder de marinehaven van Nederland.

Note; Gegevens over de admiraliteitssteden gedeeltelijk overgenomen uit het tijdschrift special  'Alle Hens' 2013 van de Koninklijke Marine 525 jaar. 

ADMIRALITEITSSTEDEN VAN NEDERLAND. (DEEL 2)

DE TIEN ADMIRALITEITSSTEDEN. (2)

ROTTERDAM.


Roterdam werd admiraliteitsstad in 1573, toen de admiraliteit van Zuid-Holland, of 'de Maze', werd opgericht.
De admiraliteit had een flinke werf van aanbouw op het Reuzeneiland, die door de bedrijvigheid van de koopvaardij en de visserij in de nauwe grachten echter "zeer onvry" bevonden werd.
Daarom fungeerde Hellevoetsluis aan de monding van het Haringvliet voor de Maze als werf van uitrusting, reparatie en conversatie.
Na 1795 ging de Rotterdamse werf verder als Landswerf en daarna Rijkswerf, maar werd in 1850 gesloten.


Hellevoetsluis is tot 1933 als marinebasis in gebruik gebleven.
Vanaf 1862 is Rotterdam ook de locatie waar de mariniers hun loopbaan bij het korps beginnen.
In 1940 werden de voormalige admiraliteitsgebouwen en de toenmalige Marinierskazerne door het Duitse bombardement vernietigd.
Vanaf 1946 tot in 1962 diende de Waalhaven als basis voor de onderzeedienst.




( Rotterdam anno 1599 vanuit het zuiden gezien. Links de Leuvehaven, in het midden de Oudehaven en rechts het Boerengat. Dominerend boven de stad de toren van de Grote Kerk.)

AMSTERDAM.


De Amsterdamse admiraliteitsraad, opgericht in 1584, zetelde in een voornaam pand op de Oudezijds Voorburgwal.
De werf lag achtereenvolgens op het eiland Uilenburg, het eiland Rapenburg en werd tenslotte in 1655 geheel nieuw ingericht op het oostelijke eiland Kattenburg.
Door de Oostzeehandel, de Levanthandel, de VOC, de WIC en de stapelmarkt ontpopte Amsterdam zich in de 17de eeuw tot financieel en commercieel centrum van Europa.



( De scheepswerven op Kattenburg met rechts het gebouw waarin nu het scheepvaart museum is gevestigd.)

Gedurende de 17de en de 18de eeuw was de Amsterdamse admiraliteit de rijkste van het land en leverde de meeste schepen. Ook in de 19de eeuw was het etablissement de belangrijkste bouwwerf van de Koninklijke Marine. Na de sluiting van de Rijkswerf te Vlissingen in 1868 bleef de Rijkswerf te Amsterdam als enige werf van aanbouw van de Koninklijke marine over.
In 1915 sloot ook de Amsterdamse werf zijn poorten, waarna de nieuwbouw geheel bij particuliere scheepsbouw werd ondergebracht. Het werfterrein op Kattenburg bleef voor de Koninklijke Marine behouden als Marine-etablissement.



                          ( Schepen in de monding van het IJ voor het binnenvaren van Amsterdam.)

HET ADMIRALITEITSGEBOUW VAN AMSTERDAM.


Het Admiraliteitsgebouw aan de Oudezijds Voorburgwal bestaat heden ten dagen nog steeds.
Nu is er het Grand Hotel in gevestigd.

In 1578 werd het nonnenklooster van de Heilige Cecilia door de stad Amsterdam geconfisqueerd.
Het werd als Prinsenhof ingericht om aan voorname personen logies te bieden. Hier logeerde prins Willem van Oranje toen hij in 1581 de stad bezocht.
Tot de latere gasten behoorden de graaf van Leicester, prins Maurits, prins Frederik Hendrik en de Franse koningin-moeder Maria de Medici. Rond 1590 werd een gedeelte van het klooster in gebruik genomen door de Admiraliteit, de voorloper van de marine. In 1597 werd de Admiraliteit landelijk niveau georganiseerd. Door de Eerste Engelse Oorlog (1652-1654) en de Noorse Oorlog (1655-1660) welke beide op zee werden uitgevochten nam het belang van de vloot sterk toe en kwam de Admiraliteit in ruimtegebrek. Het Prinsenhof was intussen verhuisd naar het Oudezijds Heerenlogement aan de Grimburgwal maar de vrijgekomen ruimte werd door het stadsbestuur in gebruik genomen doordat het oude stadhuis was afgebrand. In 1656 nam de Admiraliteit pas het gehele gebouw over.

Tussen 1661 en en 1662 werd het gebouw aanzienlijk verbouwd onder leiding van meester-metselaar Willem Jacobszoon van de Gaffel. Het nieuwe stadhuis op de Dam, het huidige paleis op de dam, diende als voorbeeld.


De gevel van het hoofdgebouw aan de noordelijke binnenplaats kreeg een grootse classicistische vormgeving en een rijke ornamentiek in de vorm van allegorisch beeldhouwwerk. Op de schoorstenen kwamen windwijzers in de vorm van vlagvoerende schepen. Op het naar voren springende fronton, met beeldhouwwerk van Jan Gijselingh de Oude, het wapen van de Admiraliteit, twee gekruiste ankers  boven handelswaren met aan de ene zijde Vrouwe Justitia en aan de andere zijde de zeegod Neptunus.

Met het ontstaan van de Bataafse Republiek in 1795 kwam er een einde aan het bestaan van de Admiraliteit. In 1808 werd het gebouw weer als stadhuis gebruikt, daar het stadhuis op de dam door koning Lodewijk Napoleon in gebruik werd genomen als paleis en zou later als paleis dienst blijven doen.

Tegenwoordig is in het fraaie gebouw het Grand Hotel gevestigd.

dinsdag 15 april 2014

ADMIRALITEITSSTEDEN VAN NEDERLAND. (DEEL 1)

DE TIEN HISTORISCHE ADMIRALITEITSSTEDEN. (1)

Nederland kende vanaf 1597 vijf verschillende admiraliteiten die door de zeegewesten zelf werden bestuurd. Zeeland, Amsterdam en Friesland hadden ieder hun eigen marineorganisatie.                                                                         In Holland waren in 1573 twee afzonderlijke admiraliteiten ontstaan: De Maze   (Zuid-Holland), met de zetel in Rotterdam en het Noorderkwartier, waar de admiraliteit afwisselend in Hoorn en Enkhuizen vergaderde. Samenvoeging van de verschillende admiraliteiten werd eeuwenlang door de verschillende gewesten tegengehouden. Maar er zijn ook voorgangers geweest en sommige admiraliteiten hebben hun zetel een keer verplaatst.                                                                     Daarom zijn er tien plaatsen die wij 'admiraliteitsstad' noemen: Veere, Vlissingen, Middelburg, Rotterdam, Delft, Amsterdam, Dokkum, Harlingen, Hoorn en Enkhuizen.

VEERE.

       
Op 8 januari 1488 vervaardigde Maximilliaan van Habsburg, keizer van het Duitse Rijk en heer der Nederlanden, geboren te Wiener Neustadt 22 maart 1459 en overleden op 12 januari 1519 te Wils, de Ordonnantie op de Admiraliteit uit.

Sindsdien beschikten de Nederlanden over een formele, permanente organisatie van de zeestrijdkrachten. 


Het Zeeuwse Veere was van 1488 tot 1560 de zetel van deze eerste admiraliteit en mede daardoor de belangrijkste vlootbasis van de Nederlanden. Veere wordt daarom wel de 'bakermat van de Nederlandse zeemacht' genoemd.


DELFT.

Delft was slechts korte tijd admiraliteitsstad, namelijk toen Willem van Oranje er in 1573 voor de eerste (en laatste) keer een raad ter Admiraliteit van Holland samenriep.
Hij deed dat in een vergeefse poging de zeemacht van de opstandige gewesten te reguleren en centraliseren.
Omdat de Spanjaarden nog de strook land van Haarlem tot Amsterdam bezetten, was het gewest Holland nog in tweeën gedeeld.
De steden van het noordelijk deel weigerden daarom bestuurlijk samen te werken met hun zuidelijke wederhelft.
Zo ontstonden er twee admiraliteiten in Holland: de Maze en het Noorderkwartier.


De banden van de marine met Delft werden in 1842 weer aangehaald door de oprichting van de Polytechnische Academie, een voorloper van de huidige Technische Universiteit van Delft.
Hiermee werd tegemoet gekomen aan de behoefte aan technisch onderwijs en de professionaliseringsdrang bij de Koninklijke Marine.
Tot ca. 1900 werd het scheepsbouwkundig onderwijs aan deze school, het enige scheepsbouwonderwijs in Nederland, verzorgd door leerkrachten van de marine.


MIDDELBURG.



In 1574 werd in Middelburg, dat zich dat jaar bij de Opstand (tegen de Spanjaarden) had aangesloten, een Provinciale Raad opgericht, die tevens de admiraliteitszaken uitvoerde.
In 1597 werd een aparte admiraliteit voor Zeeland ingesteld, maar die werd toch bemand door de leden van de provinciale Raad.
In de stad had de admiraliteit faciliteiten voor de uitrusting, het onderhoud, de bevoorrading en de bouw van oorlogsschepen.


Vlissingen zou echter al snel de belangrijkste werf en vlootbasis worden. Middelburg ziet met het opheffen van de Zeeuwse admiraliteit in 1795 het admiraliteitscollege vertrekken.



VLISSINGEN.


In 1576-1577 is het prijzenhof van Middelburg korte tijd verplaatst naar Vlissingen en werd Raad ter Admiraliteit genoemd.
Alle overige zeezaken bleven echter onder het beheer van de provinciale Raad in Middelburg.

Later bevond zich in Vlissingen de werf van aanbouw van de Zeeuwse admiraliteit en werd de stad de voornaamste zeebasis van Zeeland.




In 1814 vestigde de Nederlandse zeemacht er het Marine Etablissement Vlissingen, een scheepswerf voor nieuwbouw, reparatie en uitrusting van marineschepen, die in 1868 weer werd gesloten.


In 1875 werd de Koninklijke Maatschappij De Schelde (KMS) opgericht, het tegenwoordige Damen Schelde Naval Shipbuilding.
Van 1914 tot 1924 deed Vlissingen ook dienst als onderzeebootbasis. Ook voor de mijnendienst was de stad een tijdlang de thuisbasis.


dinsdag 8 april 2014

PAASWEEK EN PINKSTEREN IN DE NATUUR.

TIEN ZILVERLINGEN EN VELE TALEN.

DE JUDASPENNING.

De Judaspenning is een niet inheemse, tweejarige sierplant uit Zuidoost-Europa. Latijnse naam; Lunaria annua.
Hier voorkomend in veel tuinen maar steeds meer verwilderd.
Hoogte van de plant kan 1 meter bereiken. De kleur van de bloemen welke zijn gegroepeerd aan het einde van de steel is paars. De bloeitijd is van april tot eind juni.

Na de bloei ontstaan de zaad doosjes (hauwtjes) die plat en bijna rond zijn. Wanneer deze rijp zijn ze bijna doorzichtig.
Deze hauwtjes hebben een diameter van ruim drie centimeter.





GELD MAAKT NIET GELUKKIG.


De plant dankt haar naam aan de zaaddoosjes die op penningen lijken en als je er mee schut rammelen de zaden in de doosjes als het geld in een buidel.

Het was de discipel Judas Iskariot die in de Hof van Gethsemane aan de voet van de Olijfberg in Jeruzalem Jezus verraadde voor ´dertig zilverlingen´. 
Deze rinkelden in zijn geldbuidel als de zaden in hun doosje.
Volgens volks vertellingen zou Judas toen hij zich verhing na zijn verraad van Jezus deze ´dertig zilverlingen´ hebben weg geworpen op de plaats waar de munten terecht kwamen groeide later de Judaspenning.

DE PINKSTERBLOEM.


De Pinksterbloem is een echte lentebloeier. De Latijnse naam is+ Cardamine pratensis. Bloeitijd van april tot eind juni.
De plant groeit hoofdzakelijk in vochtige graslanden en komt op het gehele noordelijke halfrond voor.
Vanuit de wortelrozet van langgesteelde, veervormig
gedeelde bladeren schiet een aantal holle, onvertakte stengels op. Elke stengel draagt een tros lila of witte bloempjes, waarvan de kroon uit vier geaderde bloemblaadjes bestaat. De vrucht is een open-springende hauw.
Pinksterbloemen planten zich ook op vegetatieve wijze voort, door middel van knopen die zich vormen aan de onderkant van de bladeren in de rozet.
De jonge bladeren van de pinksterbloem zijn als sla te eten en zijn zeer rijk aan vitamine C. 


PINKSTEREN.

De oorsprong ligt reeds in de wetten die door Mozes tijdens de uittocht van Egypte aan het volk Israël werden gegeven. Het is de vijftigste dag, op de dag na de zevende sabbat vanaf Pesach ( het Joodse Pasen)
waarop er nieuwe offers aan God moeten worden gebracht. Een soort afsluiting van de Pesach.
Het feest wordt ook wel het 'Feest van de Eerstelingen' of 'Wekenfeest'genoemd (Sjavoeot).
De eerstelingen van de nieuwe graanoogst en het vee worden dan geofferd. De dag werd er ook een samenkomst gehouden en mocht niemand zijn gewone werk doen.

Pinksteren in het Oudgrieks; Pentèkostè betekend vijftig. Het is voor de Christenen de negenenveertigste dag na Pasen, waarop de uitstorting van het heilige Geest wordt herdacht

In de tien dagen tussen de Hemelvaart van Jezus en Pinksteren kiezen de discipelen een nieuwe vervanger voor de plaats van Judas Iskariot. Door middel van loting wordt Mattias aangewezen. Ze blijven gezamenlijk bij elkaar in Jeruzalem en bidden om de uitstorting van de Heilige Geest, die hun Heer Jezus hen beloofd had.
De gebeurtenis vind plaats op het feest van de 'Eerstelingen'(Sjavoeot) in de ochtend als de dicipelen en andere gelovigen samen zijn in een vertrek in Jeruzalem.
Volgens Handelingen 1:13 en 2:1; 
"Plotseling kwam er uit de hemel een geluid dat leek op een enorme windvlaag en vulde het gehele huis, waar zij zaten. Op hun hoofd vertoonden zich tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op een ieder van hen. Zij werden allen vervuld met de |heilige Geest en begonnen in vreemde talen te spreken, zoals de Geest het hen gaf uit te spreken".



Na deze openbaring gingen de discipelen op weg om het geloof in Christus wereldwijd te verkondigen.



maandag 7 april 2014

VERGEET-MIJ-NIET IS BLAUW.

KLEIN, MAAR VERGEET ZE NIET!

VERGEET-MIJ-NIETJE.

De Latijnse naam is; Myosotis arvensis. Dus niet vergeten!
Het is een eenjarige plant en heeft een recht opstaande stengel met een grondrozet van eironde bladen waaruit verscheidene rechte bebladerde bloemtrossen groeien, die alle kort behaard zijn.
De bloeitijd is van mei tot eind september met een hoogte van 10 tot 40 centimeter.
Een het einde van de steel ontstaan blauwe bloemen.
Elke trechtervormige bloem heeft een gele ring in het midden. De voortplanting geschied door de kleine glanzende zaadjes waardoor de plant verwilderd in een ruim gebied.
Het vergeet-mij-nietje komt in geheel Europa en West Azië voor op gecultiveerde grond, akkerland, op bosgrond, duinen en in de tuinen.

De naam is verbonden aan een fabel: In de Middeleeuwen waren eens een ridder en zijn geliefde aan het wandelen langs een snelstromende rivier. Bij het plukken van een bosje blauwe bloemen die langs de oever van de rivier groeiden verloor de ridder zijn evenwicht en stortte voorover in het kolkende water van de rivier. Met zijn laatste krachten gooide hij het bosje blauwe bloemen naar zijn geliefde en riep `Vergeet mij niet`voor hij verdronk. In oude gebruiken worden de bloemen gedragen door vrouwen als teken van trouw en oneindige liefde.


HANDJES EREPRIJS.

Dit plantje met de liefelijke kleine blauwe bloempjes is een kort levende eenjarige plant en bloeit in het begin van de lente. Het is een laag groeiende plant met kleine vertakte stengels en weinig behaarde, tegenoverstaande afgeronde bladen.
De middelste en bovenste stengelbladen zijn handvormig 3/7 spletig. De onderste bladen zijn gesteeld, de bovenste zijn zonder steel. In de bladoksels groeien de bloemen.
Na de diepblauwe trechtervormige bloemen komen de rondachtige harige vruchtdozen, die schotelvormige zaden bevatten. De hoogte van de plant is 5 tot 15 centimeter. De plant is oorspronkelijk een steppesoort maar heeft zich langzaam over geheel Europa weten te verspreiden. Kwam vroegen in Nederland plaatselijk vrij algemeen voor, maar is nu bijna niet meer te vinden. Je loopt er ongemerkt ook aan voorbij.

zondag 6 april 2014

LINNERWEERD VOORJAARSWANDELING.

HET VROEGE VOORJAAR VAN 2014 IN DE NATUUR.

Even de deur uit, even de benen strekken en genieten van de reeds vroege warme voorjaarsdagen van dit jaar.
Gewoon even de Linner Weerd in in lopen met de camera. Een gebied dat ongeacht het jaargetijde prettig is om in te wandelen of te fietsen. Een gebied met een fraai kasteeltje en enige zeer oude boeren landhuizen, landerijen en boomgaarden.
Het gebied ligt aan de grens van het plaatsje Linne (gemeente Maasgouw) en is ingesloten door de rivier de Maas en wordt doorkruist door de Vlootbeek. Bij de stuw in de Maas is een mogelijkheid om via een loop- fietsbrug, welke aan de stuw vastligt, de Maas over te steken.


Maar de Linner Weerd is in het voorjaar op z'n mooist. Langs de weg onder de ontluikende knoppen van struiken en bomen staan de verschillende soorten van de Dovenetel in bloei en in het grasland de Paardenbloem. (Beide eerder beschreven in een artikel onder naam van de bloem 5/6-04-2014)

De Linner Weerd heeft meer dan men denkt. Even na de brug over de Vlootbeek, het nu nog toegankelijke weiland ingewandeld waarin de Pinksterbloemen reeds volop in bloei staan, voordat het nog Pasen moet worden.

Rustig naar de oever van de dode Maas-arm gewandeld die daar ligt.

Aan de andere oever van het water was een witte zwaan aan het nestelen onder toeziend oog van het reeds buiten lopende vee.








Even verder aan de oever van deze Maas-arm is weer duidelijk te zien dat de bever ook weer terug is in de Linner Weerd.
Het dier heeft dan ook zijn best gedaan om deze dikke stam van een reeds eerder afgeknotte wilgenboom door te knagen.
Zo verder opzoek gegaan of er nog meer sporen van de bevers waren te vinden langs de Vlootbeek die hier vlak langs slingerend door de Weerd naar de \Maas stroomt.







Na veel speuren deze opeen stapeling van takken gevonden met een toe- of uitgang gat naar een daaronder gelegen ruimte.








Buiten het agrarische landbouwgebied liggen er in de Linner Weerd ook de nodige fruitboomgaarden.
Boomgaarden die nu reeds volop in bloei staan met de bloesem van kersen, appels en peren.
Het is een ware lust voor het oog om naar te kijken. Sluit je ogen en het gezoem van de bijen begeleid door het gezang van verschillende vogels klinkt als een voorjaarsconcert in je oren.


Een tak vol met knoppen en reeds ontluikende bloesem van de kersenboom.




Ook de bloesem van de appel was een moment van in stilte aanschouwen waard.
Verder wandelend huiswaarts kwam ik nog bloeiende plantjes tegen van de Handjes ereprijs, het Vergeet-mij-nietje en van de Judaspenning.
Maar overal was duidelijk te zien dat de natuur snakt naar wat regen, de kleigrond is keihard, het zand stuift overal en het waterpeil in de Vlootbeek is zeer laag. 

Mocht u in de gelegenheid zijn een bezoek te brengen aan dit stukje zeer fraai beschermd gebied, dan wens ik u een fijne wandeling toe. 







DE DOVENETEL.

PRIKT NIET EN RUIKT LEKKER.

Al wandelend langs loofbos en groene weidevelden en akkers komt men de dovenetel tegen. Van deze soort kenen we vier soorten; de witte, de paarse, de gele en de gevlekte dovenetel.

WITTE DOVENETEL.

De witte dovenetel, Latijnse naam Lamiun album, is een overblijvend kruid een groeit vaak in beschaduwde plaatsen.
De hoogte kan soms wel 50 centimeter zijn.
De plant doet denken aan de brandnetel, maar in tot in tegenstelling van de brandnetel geen prikkende haartjes op haar bladeren. Bloeitijd van april tot eind september.
De planten groeien in grote groepen bij elkaar en vaak met hun soort genoten.
De plant heeft een vierzijdige holle stengel en brede getande bladeren.
De bloemen groeien in kransjes in de oksels van de ruwe, tegenoverstaande bladeren.


De bloemen produceren grote hoeveelheden nectar waar alleen de hommels bij kunnen komen met hun lange tongen.
De jonge scheuten van de dovenetel kunnen als spinazie worden gegeten.
In de volksgeneeskunde werd de dovenetel gebruikt voor de behandeling van uiteenlopende kwalen, zoals een zere keel, open wonden en interne ziekten zoals diarree.

DE PAARSE DOVENETEL.


De paarse dovenetel is geen overblijvende plant. Latijnse naam: Lamium purpureum.  Deze een jarige plant verspreid zich door het uitzaaien van haar zaden.
Komt net als de witte dovenetel voor in dicht op elkaar groeiende groepen in schaduw rijke bosgronden.
Hoogte van de plant tot ruim 30 centimeter en de bloeitijd van maart tot eind oktober.
De plant heeft rechtopgaand vierhoekige stengels en dragen veel grof behaarde, gekartelde tegenoverstaande bladen en paars-rode bloemen die in de oksels van de bovenste bladen groeien.
Elke bloem is twee-lippig met een helm-achtige bovenlip die de helmknop beschermt en een drielobbige onderlip die een platform vormt voor de honing zoekende bijen. 
De vier nootjes die de vrucht vormen zitten onder de kelkbuis.

DE GEVLEKTE DOVENETEL.

Deze lijkt zeer veel op de paarse dovenetel. Haar Latijnse naam is; Lamium maculatum.
De bloeitijd is van april tot eind september. Deze plant heeft rozerode bloemen. De bloemen zijn twee-lippig met een paarse tekening op de onderlip en komt in geheel Europa voor. Vermeerdering door uitzaaien.
Van deze dovenetel worden ook tuinvarianten gekweekt met witte vlekken op de hartvormige bladen. 

DE GELE DOVENETEL.

De gele dovenetel is een overblijven kruipende soort en groeit vooral bij vochtige loofbossen op goede grond en tussen hakhout. Komt algemeen veel voor in Zuid-Limburg en is zeldzaam in het midden en oosten van het land en in delen van Noord-Brabant. De Latijnse naam is; Lamiastrum galeobdolon.
Hoogte van de plant tot 40 centimeter en de bloeitijd van april tot eind juni. 



Aan de stengels groeien veel tegenoverstaande, getande puntige-ovale bladen. De bloemen zijn twee-lippig, geel met roodbruine vlekken en groeien in schijnkransen in de oksels van de bladen

Al deze soorten dovenetels werden als kruid gebruikt bij behandeling van wonden en zweren en om bloedingen te stoppen. 


zaterdag 5 april 2014

DE PAARDENBLOEM.

EEN VERSCHRIKKING IN HET GAZON.

Het is voorjaar en buiten in de vrije natuur staat reeds van alles in volle bloei.


Veel mensen vinden ze mooi als ze in bloei staan langs de wegen en in de weilanden en het is ook een mooi gezicht. Maar het is een ware ellende als je deze in een veld voor je huis hebt staan en als de zaadjes overwaaien in je gazon. Het zijn er niet een paar, maar honderden, zoniet duizenden en zo blijf je het gehele jaar door deze opkomende plantjes wegsteken wil je je gazon nog een beetje toonbaar houden.
Het is niet alleen in het gazon dat ze groeien, maar ook in de bloempotten en zelfs in het grint op het plat dak.                                                                                           
                                                                                         
De paardenbloem is een overblijvende plant. Latijnse naam; Taraxacum offiniale. 
Bloeitijd van april tot eind augustus.
De bloemen gaan alleen bij volle zon open. De hoogte van de bloemsteel kan wel een 35 centimeter bereiken.
De plant vormt wortelrozetten van hakkelig ingesneden bladeren. Uit elke rozet schieten een aantal holle stengels op, waarin een melkachtig sap zit. Aan het einde van de holle stengel zit de bloem.

Paardenbloemen werden vroeger gebruikt als een geneesmiddel voor aandoeningen aan de maag en de galblaas.

De wortels kunnen worden gedroogd, geroosterd en gemalen om er surrogaat koffie van de maken.

De jonge bladeren zijn eetbaar als sla en zijn rijk aan vitamines. Ook gekookt zijn de bladeren smakelijk.
Alhoewel koeien en paarden deze plant niet opeten zijn de konijnen dol op de jonge bladeren.
Van de bloemkorfjes wordt ook wel wijn gemaakt.


De bloem groeiend uit het bloemkorfje zal na bestuiving veranderen in een grijswit bolletje.
Elk vruchtje is voorzien van een gesteeld pluimpje
van ongeveerde haren. 
De wind voert deze parachutes met zich mee, waarna ze zich op deze manier uitzaaien in het landschap ( of uw tuin).
Vooral kleine kinderen vinden het prachtig een zaadbol uit te blazen.

woensdag 2 april 2014

KOUDE OORLOG.

RESTEN VAN DE 'KOUDE OORLOG'.

De Koude Oorlog duurde van 1945 tot 1991. Het was een stille oorlog zonder wapen gekletter, maar dreigende taal tussen de Westelijke landen en het communistische Sovjet Unie.
De eens zo genaamde bondgenoten in hun strijd tegen de Nasi overheersing in Europa en een deel van Azië en Afrika stonden na de val Berlijn en het einde van de Tweede Wereld Oorlog in 1945 recht tegen over elkaar.
Berlijn bevrijd door de Russen werd een vieren gedeeld, één Russische zone, een Amerikaanse zone, een Engelse zone en een Franse zone.
Welvaart en wederopbouw aan de westelijke zijde en onderdrukking en vervolging aan de de oostelijke zijde. Hongarije werd achteloos geruild voor Oostenrijk en werd een Oostblokland. Oost Duitsland kreeg door de Stasi ( de Staats Geheime Dienst ) en nog strengere onderdrukking dan onder de Nasi's.



Mensen die de kans nog hadden vluchten massaal naar het westen van de stad, maar dat werd al snel aan banden gelegd door de aanleg van een muur met prikkeldraad en daar voor nog meer prikkeldraad versperringen en mijnenvelden. Hele families werden van elkaar gescheiden. Vluchten werd vaak de dood.


Uiteindelijk op 9 november 1989 valt de Berlijnse muur en kregen veel Oostblok landen na veel bloedvergieten en terreur langzaam aan hun vrijheid terug. Veel van deze landen keerden zich tot het Westen, behalve Wit Rusland.
Maar het zou nog vele jaren duren eer al de landen weer hun eigen landsgrenzen terug zouden hebben van reeds het begin van de Eerste Wereld Oorlog. Maar is men van het communistische juk bevrijd dat gaat men weer een geloofsstrijd aan onderling.
De middeleeuwen anno de 20ste eeuw.


Maar nu anno 2014 is de sfeer weer grimmig tussen Oost en West om Oekraine en het schiereiland de Krim. Het land keert zich tot het Westen maar heeft op de Krim nog steeds de Russische zeevlootbasis liggen. Zo nemen de Russen achteloos de Krim in bezit een gebied dat reeds in 1853 tot 1856 een zware oorlog kende om de macht. 
Relaties tussen Oost en West worden bevroren en sancties worden over en weer afgekondigd. Is dit weer een nieuwe Koude Oorlog? 



Van de Koude Oorlog staan in het landschap van de provincie Limburg nog enige toonbare resten van die tijd.
Dit zijn de toen gebruikte luchtwachttorens vanwaar vrijwilligers van het Korps Luchtwacht Dienst (KLD) de noordoostelijke horizon afspeurden naar laagvliegende Russische vliegtuigen die door de toenmalige radar niet konden worden waargenomen.
Elk verdacht toestel dat werd waargenomen werd aan elkaar en aan de commandoposten doorgegeven.
In totaal stonden er 275 van deze observatieposten langs de Nederland - Duitse grens. 
De toren links staat bij de ingang van de toenmalige vuilstortplaats
aan de weg van Linne naar Montfort aan de rand van het Nieuw Annendaalse Bosch. De toren heeft een hoogte van 9,5 meter en is een van de laatste 19 wachttorens die nog in ons land staan.
Deze toren werd in 1954 door de genie gebouwd en was een van de 138 speciaal gebouwde betonnen uitkijktorens van de KLD die in de periode van de Koude Oorlog werden gebouwd. De overige uitkijkposten werden op hoge bestaande gebouwen ingericht zoals op de watertoren van Tegelen. De torens gingen voor het oog vaak schuil door de omliggende hoge bomen van de bossen.





( De torens waren opgetrokken uit goedkope prefab betonnen raadbouwelementen.)








In het begin van dit jaar heeft men de toren gelegen aan de Duitse grens tussen Posterholt en Mariahoop, vlak bij het autosport-circuit, het Jaba-circuit, weer zichtbaar gemaakt door de er omheen staande bomen weg te kappen. Of dit nu een sieren is van het landschap of een ontsiering valt te betwisten.


De vrijwilligers die deze torens bemanden gingen gekleed in een blauw uniform en kregen een vergoeding van één gulden per oefening, maar veel animo was er niet bij de bevolking.
Dit opgestelde netwerk tegen het rode gevaar is naar verluidt maar een beperkt aantal keren op de proef gesteld. Ik citeer uit een publicatie uit een streek krant:
In 1958 sloeg de wachtpost Montfort bij Linne alarm bij het binnenvliegen van een Russische Iljoesjsin. het netwerk functioneerde als bedoeld en twee snel opgestegen Duitse gevechtsvliegtuigen dwongen het toestel tot een landing. Het vliegtuig was na een Franse luchtvaartshow op de terugweg naar de Sovjet Unie bewust van haar koers afgeweken om de grens te fotograferen.