zaterdag 18 april 2015

GALERIJ VAN SCHIP. WAT IS DAT?


EVEN MIJN HUT UIT EEN LUCHTJE SCHEPPEN.


Een galerij is een uitbouw aan de achterkant en gedeeltelijk aan de zijkant van het achterschip.


(Tekening van de galerij van een kraak uit de 15e eeuw.)

Galerijen kwamen op westerse schepen in gebruik in de tweede helft van de 15e eeuw. Langs de achterzijde van het hakkebord werd een soort balkon gebouwd over de gehele breedte van het schip.
Vaak stond op ieder uiteinde een kleine opbouw welke boven het water uitstak en wat waarschijnlijk het toilet was van de gezagvoerder en de officieren. 
De galerij kon bereikt worden langs deuren in het hakkeboord en hoofdzakelijk vanuit de hut van de gezagvoerder of eigenaar.
De galerijen ontwikkelden zich rond 1600 er werden ook langs de zijkant van de romp uitgebouwd.




                 ( De galerij in het hakkeboord van het Zweedse replica zeilschip Gotheborg.)

Aanvankelijk was een galerij geheel open en hoogstens langs de bovenkant met de romp verbonden door een stel balken waarover een zeil gespannen kon worden. Later kregen ze een volledig dak.


( Galerij met versierd hakkebord van het Nederlandse oorlogsschip 'Gouda' uit 1665.)

In de loop van de 17e eeuw verdwenen de open galerijen op talrijke schepen. het hakkebord werd op de zijkanten verbreed door staatshouten die de zijgalerij aan de achterkant afsloten van het hakkebord.
Deze open zijgalerij werd afgedekt door een dak op kopstuk en op de zijkanten afgesloten door een trommel met ramen.
Aan de onderkant werd ze gesteund door een visstaart of druiper.
De open galerij bleef echter nog in gebruik op zeer grote schepen, soms zelfs in meerdere verdiepingen.
Op oorlogsschepen ontwikkelde ze zich opnieuw in de loop van de 19e eeuw en werd nu westergang genoemd.
Terwijl de zelfde tijd verdween de zijgalerij.
Aanvankelijk werden ze vals aangebracht en dienden enkel als decoratief element. De zijgalerijen waren evenals de achtergalerij versierd met beeldhouwwerk en snijwerk zoals het hakkebord en worden daarom tot de scheepsversieringen gerekend. In de zijgalerijen werden later dikwijls toiletten ondergebracht.
Op de koopvaardijschepen gebruikte men de zijgalerijen wel als verblijfplaats voor meevarende passagiers.
Bij de Koninklijke Marine komt het woord galerij nog voor in de betekenis van toilet en/of urinoir, met name op het Kon. Instituut voor de Marine.



vrijdag 17 april 2015

SCHEEPSGESCHUT. WAT IS DAT?



VUUR....  AANVALLEN!



Al snel kwam de mens er achter dat je ook op een afstand je vijand de eerste vernietigende klappen kon uitdelen.
Een van de eerste stukken geschut is eigenlijk wel de katapult, waarmee stenen of brandende voorwerpen naar de vijand werden geschoten. In het begin was een dergelijk werktuig alleen aan land in gebruik, maar ook op de oorlogsschepen van de Romeinen kwamen ze later voor.

Onder scheepsgeschut wordt eigenlijk verstaan, alle vuurmonden met een kaliber van 20 millimeter en groter, bestemd of geschikt om opgesteld te worden aan boord van oorlogsschepen of ter verdediging tegen kapers op handelsschepen. De ontwikkeling van het scheepsgeschut liep aanvankelijk parallel met die van het landgeschut. Naarmate er echter meer schepen werden gebouwd met als enig doel om als oorlogsschip te dienen, splitste zich geleidelijk de ontwikkeling van de land- en de scheepsartillerie.



                           (Achterlader met kamer en kulas op houten affuit omstreeks 1500.)

In het begin van de 15e eeuw ,en wellicht eerder, verscheen op de schepen het eerste geschut. Het bestond uit ijzeren, later ook bronzen kanonnen; zwaardere werden vaak vastgebonden op houten affuiten, de lichtere waren verschansingsstukken die in een vork lagen en daarmee draaibaar werden gemonteerd op de verschansing.



(Steenstuk dat draaibaar in een ijzeren vork op de verschansing werd geplaatst, begin 16e eeuw.)

Het waren achterladers dan wel gladloops voorladers zonder trekker en velden. Het gladloopskanon, dat steeds meer geperfectioneerd werd, heeft zich gehandhaafd tot in de tweede helft van de 19e eeuw. 
Naarmate het geschut zwaarder werd, kwamen in de 16e eeuw twee en later vier wielen onder de houten affuit in zwang, waardoor de terugslag beter kon worden opgevangen en de stukken aan boord handelbaarder werden. Hiermee was de invoering van het rolpaard een feit.


De zwaarte van de stukken werd aangegeven door het gewicht van de projectielen, die zij verschoten.
In de 17e eeuw werd de 42 ponder tot een zwaar geschut gerekend. Zij waren log en moeilijk hanteerbaar in de lage ruimten van de geschutdekken.
De oorlogsschepen van de 15e tot in de 19e eeuw hadden de meeste kanonnen in de brede zij opgesteld, dat wil zeggen, dat de stukken loodrecht op de lengteas van het schip stonden en dwarsuit schoten.
Kanonnen welke recht vooruit konden schieten werden wel jaagstukken genoemd en hadden een relatief groot schootsbereik. In het algemeen echter konden niet meet dan 4 kanonnen recht achteruit en twee tot vier stuks vooruit schieten.


De lopen van de kanonnen staken door geschutspoorten in de scheepshuid naar buiten. De poorten konden door middel van luiken worden gesloten, hetgeen in zwaar weer vaak een noodzaak was om het buitenboord water niet binnen te krijgen. Daar de stukken zelf niet of nauwelijks te verplaatsen waren, diende met het gehele schip zodanig gemanoeuvreerd te worden, dat het vuur effectief was.

In de 16e eeuw hadden de schepen een groot aantal aan kanonnen, waarvan de meeste echter vrij licht waren. Zo had het schip de 'Henry Crâce à Dieu' uit 1545 er 184 en later 251 kanonnen.
In de 17e eeuw minderde het aantal stukken geschut, maar de stukken werden zwaarder.
De 'Prince Royal' uit 1610 had oorspronkelijk 56, later 90 kanonnen en was een van de zwaarst bewapende schepen uit die tijd.
Een van de redenen waarom vele lichte stukken geschut plaats moesten maken voor een kleiner aantal zwaarder kaliber, was de verandering van tactiek: het artillerieduel nam de plaats van het enteren in.



(Afbeelding van het linieschip 'Friesland'.)

In de tweede helft van de 17e eeuw komt het linieschip als grootste oorlogsschip naar voren met een bewapening van 50 tot meer dan 90 stukken geschut. Het vlaggenschip van admiraal Nelson de 'Victory'had in de slag bij Trafalgar in 1805, 100 stukken geschut variërend van 32 tot 12 ponders en twee 68 ponder 'carronades'.
Een bekend linieschip was de 'Delft' uit de slag bij Kamperduin. Het schip met een lengte van 167 voet; een breedte van 46 voet en een holte van tot op de kielplaat van 21 voet, had in totaal 68 stukken geschut. Op de onder laag 13 stukken van 24 pond, op de boven laag 13 stukken van 18 pond en op de bak en het half dek 8 stukken van 8 pond.





Bombardeerschepen hadden als hoofdbewapening één of twee  zware mortieren, welke projectielen wel van 200 pond konden afvuren. Zij werden gebruikt om fortificaties van havensteden of kustversterkingen te bombarderen.

In het begin van de 19e eeuw werd het mogelijk om de  kanonnen in beperkte mate te baksen en te eleveren, hoewel manoeuvreren nog steeds de voornaamste methode van 'richten' was. Door de invoering van granaten bood zelfs de dikte houten scheepshuid onvoldoende bescherming en begon men de schepen te pantseren. Het geschut werd groter en zwaarder, hoewel het nog steeds uit voorladers bestond. De zwaarte van het geschut werd nu uitgedrukt in kaliber; diameter van de vuurmond of van het projectiel, dus niet meer langer het projectielgewicht.



                              ( Een zwaar 25 cm kanon uit de tweede helft van de 19e eeuw.)

Het Franse schip 'L 'Océan uit 1868 had een hoofdbatterij van vier 27 cm stukken geschut. na het volledig verdwijnen van masten met zeilen  voor hulpzeilvermogen, kregen de zwaarste kanonnen de plaats die zij nu nog hebben, namelijk in de hartlijn van het schip, draaibaar opgesteld in torens of achter barbetten. Grote achterlaadkanonnen kwamen in 1880 in gebruik.


KANON.

Een kanon is een stuk geschut met een looplengte van 15 kaliber of meer. In principe bestaat een kanon uit een buis, op het moment van afvuren aan één zijde gesloten, welke buis een voortdrijvende lading en een projectiel kan bevatten en de explosie van deze lading zodanig onder controle heeft, dat het projectiel met hoge snelheid het open einde van de buis verlaat.
Een kanon bestaat van achter naar voren uit de kamer, welke overgaat in de loop: de loop bevat inwendig de trekken en velden. Een extra aantal inrichtingen is nodig om boven vermelde werking te kunnen verzekeren en vergemakkelijken. De kamer wordt tijdens het afvuren gasdicht afgesloten door het sluitstuk.
Een kanon vindt ligplaats in de zogenaamde wieg, waaraan tappen bevestigd zijn. Kanon en wieg kunnen om de as door de tappen bewegen in een vlak, loodrecht op het opstellingsvlak (eleveren).
Het recuul, de terugstoot, wordt opgevangen door remcilinders.
Bij een zwaar sluitstuk en een zware kulas, achterste deel van de vuurmond, zou de mogelijkheid bestaan, dat tijdens het afvuren en reculeren de loop opwipt en het projectiel niet met de juiste elevatie de monding verlaat. Deze opslag wordt tegengegaan door recuulbalanceerinrichtingen.
Door middel van baks- en eleveerinrichtingen kan een kanon worden gericht. Het laden, het inbrengen van de munitie kan met de hand geschieden of door middel van een automatische laadinrichting.

( 7,5 cm of 3 inch Bofors kanon uit 1915.)


Verklaring van de cijfers:
1. - Loop.
2. - Mantel.
3. - Wieg.
4. - Afstandinstelling, opzethoogtehandwiel.
5. - Richtkijker.
6. - Zijdelingse-correctiehandwiel.
7. - Kulas.
8. - Kruk.
9. - Elevatiehandwiel.
10. - Baksinrichting-handwiel.
11. - Remcilinder.
12. - Pivot.
13. - Elevatieinrichting.
14. - Afvuurinrichting.
15. - Sluitstuk.

De bemanning van een kanon, de kanonniers, wordt vaak beschermd tegen vijandelijk vuur door het kanon en alle bijkomende inrichtingen in te bouwen in een gepantserde, doosvormige constructie, kanontoren genaamd.
Vaak worden verscheidene kanonconstructies, meestal van hetzelfde kaliber, in één toren ondergebracht; men spreekt dan van twee-, drie- of vierlingtorens. De toren dient tevens als bescherming tegen de weersinvloeden.


KANONTOREN.

Ook wel geschutstoren genoemd. Met de invoering van het moderne geschut en de daarmee samenhangende grotere doordringingsvermogen van de granaten begon men in de tweede helft van de 19e eeuw met het beschermen van het geschut en de geschutsbemanning tegen vijandelijk artillerievuur. Aanvankelijk bestond deze bescherming uit te barbette.


( Barbette op een pantserschip anno 1922.)

Het was oorspronkelijk een kleine verhoging binnen een bastion waarop kanonnen stonden die over de borstwering heen schoten.
Bij oorlogsschepen in eerste opzet kort na het invoeren van de bepantsering, in 1867, een zware vast op het hoofddek gebouwde pantserwal van cirkel- of peervormige  doorsnede, waarachter zich het kwetsbare deel, o.a. het bakmechanisme van één of twee zware stukken geschut bevond.
De bovenzijde van de barbette was geheel open en de kanonnen vuurden over de rand heen.
Ze werd voor het eerst toegepast bij de Franse marine. Omstreeks 1890 toen ook de zwaardere kanonnen een hogere vuursnelheid kregen en de scherfwerking van de granaten veel groten werd was de open boven zijde een te groot nadeel.
Een nieuwe constructie was de barbettetoren welke sedertdien voor de zware kanonnen van slagschepen en kruisers de normale uitvoering werd, de geschutstoren.

Er ontstond een wedloop tussen pantser en kanon, met als resultaat dat het kanon en het pantser sterker werden. Uiteraard had dit tot gevolg dat de kanonbewapening van een schip verminderd werd, met als resultaat dat het belangrijker werd om het geschut doeltreffend te beschermen.
Hierbij werd de barbette een zware vast ingebouwde cilindervormige koker van pantserstaal, die liep van het pantserdek tot aan de baksbare gedeelte van de toren. Ze diende ook hier voor de bescherming van baksinrichtingen, munitieopvoerinrichtingen, enz. Met het verdwijnen van de bepantsering en de kanonnen van zwaar kaliber wordt bij de bouw van oorlogsschepen de barb ette niet meer toegepast.


( Modern automatische kanon van 12 cm in dubbelopstelling.)

Verklaring van de cijfers:
1. - Ziel-as.
2. - Monding.
3. - Loop.
4. - Dubbelkanon.
5. - Wieg.
6. - Toren.
7. - Kulas.
8. - Remcilinder.
9. - Liftmotor.
10. - Munitielift.
11. - Richtmotor.
12. - Magazijn.
13. - Pivot.

Het waren J.Ericsson en C.Coles, die onafhankelijk van elkaar de geschutstoren hebben uitgevonden.
Erisson construeerde zijn toren aan boord ven de 'Monitor' die met stoomkracht gedraaid kon worden. In Europa was het Coles die de eerste torens liet bouwen aan boord van een Deens oorlogsschip, dat in Groot-Brittannië op stapel was gezet, de 'Rolf Krake'.
De opstelling in de brde zijde werd meer en meer vervangen door de opstelling van de gepantserde geschutstoren in de midscheeps en aldus kon men over bakboord en stuurboord vuren, zodat de vuursectoren tot een maximum waren vergroot.



( Opstelling van de tien 30 cm kanonnen in vijf torens en 27 lichte stukken op het slagschip 'Dreadnought', 1906.)

Men kent torens met één, twee, drie of vier stuks geschut en men spreekt dan van resp. enkele, dubbele drieling- of vierlingtorens. Meestal treft men de torenconstructie slechts bij het middelzware en zware geschut aan, dat wil zeggen boven een kaliber van 12 cm.


( Modern 120 mm Bofors kanon L/50,70 schoten per minuut.)

Met een automatisch kanon kan worden gevuurd zonder gebruik te maken van menselijke tussenkomst, zoalng de munitie-aanvoerinrichting voldoende munitie bevat en zodra en zolang de afvuurinrichting in werking is gesteld. Automatische geschut maakt gebruik van eenheidsmunitie. De werking komt overeen met die van een zware mitrailleur.


In de eerste helft van de 20e eeuw werden de kalibers en de vuursnelheid geleidelijk vergroot. Slagschepen kregen geschut van 12 inch (30,5 cm), te beginnen bij de 'Dreadnought' in 1906, met een langzame en geleidelijke toename tot het 15 inch geschut (38,1 cm) van de 'Hood' en de 16 inch (40,6 cm) kanonnen van de Amerikaanse slagschepen van de 'Missiouri-klasse', die een schootsbereik hadden van 20 mijl (36 km).
Het zwaarste geschut ooit opgesteld op een oorlogsschip, waren de 18 inch (45,7 cm) kanonnen van de Japanse Ýamato' en 'Musashi' uit de WO-II, die lek drie drielingstorens van dat kaliber hadden. 
Na de WO-II was de tendens om licht geschut met een hoge vuursnelheid te maken, terwijl zwaar geschut (kaliber 20 cm en hoger) langzaam verdween en nauwelijks of niet meer werd gebouwd.
Zo verschenen enkelloops 12 cm kannonnen met een vuursnelheid van maximaal 70 schoten per minuut, 3 inch (7,6 cm) kanonnen met een vuursnelheid van 70  schoten per minuut, 40 mm mitrailleurs mat een vuursnelheid van 240 schoten per minuut en 30 mm mitrailleurs met een vuursnelheid van 540 schoten per minuut.
De taken van het zware geschut zijn tegenwoordig overgenomen door vliegtuigen en door geleide projectielen welke ook vanaf de oorlogsschepen en de onderzeeërs kunnen worden gelanceerd.
Uit recent opgedane ervaring is echter gebleken dat zwaar scheepsgeschut nog steeds waardevol is voor bombardement, hetzij bij amfibische operaties, hetzij als vuursteun aan landingstroepen.



dinsdag 14 april 2015

PUNTER. WAT IS DAT?

VAN EEN WERKSCHEEPJE TOT 

RONDVAARTBOOT VOOR TOERISTEN.



Punter is de aanduiding voor enkele kleine platbodemvaartuigen, gekenmerkt door het puntig toelopen van voor- en achterschip en geschikt om gezeild, geboomd of geroeid te worden.


         (Constructie tekening van de Giethoornse punter. Afmetingen 6,3 x 1,4 x 0,13 meter.)

De punters komen voort uit uit de plassengebieden rond Giethoorn en sommige grotere typen visten zelfs op het open water van de Zuiderzee, zij het onder de wal van de Provincie Overijssel.
De punter heeft in de lengte een licht gebogen vlak, voor en achterlijk scherp. De stevens zijn recht en tamelijk scherp vallend. Zij steken boven het boord uit. Het boord valt breed open, het boeisel helt naar binnen. In het voor- en achterschip is een plechtje.


In de enige voorstaande doft kan een mastje voor een sprietzeil worden geplaatst.
Oudere punters hadden slechts één losneembaar zijzwaard, dat naar behoefte naar stuur- of bakboord werd gebracht. Latere punters voerden twee zwaarden.
Tegenwoordig worden veel punters van kimkielen voorzien.

Het bekendste type is de Giethoorn punter, een gestrekt scheepje dat in verband met de nauwe vaarwaters in Giethoorn vrijwel altijd voortgeboomd wordt (punteren) en dat voornamelijk dient voor het vervoer van personen, melkbussen, soms vee, hoewel het ook voor de visserij werd gebruikt. Het had echter geen bun.


Groter en meer opgeboeid is de Zwartsluizer punter, die gebruikt werd voor de visserij onder de Overijsselse kust, en daartoe was uitgerust met een bun.


De Alsmeerse punter, die in Noord_holland voor landbouwdoeleinden werd gebruikt, had een groter zeeg dan de Overijsselse soort en dus een hogere kop en achterschip met steiler staan de stevens.
Dit type voerde een breed roer met karakteristieke Hollandse roerklik. Hij had een torentuig met grootzeil en fok, maar werd ook geroeid. Afmetingen: lengte 7 meter; breedte 1,5 meter en holte 0,45 meter.
De Aalsmeerse punter werd uiteindelijk verdrongen door de grundel
In Giethoorn is een kleine scheepswerf waar heden nog steeds punter worden gebouwd.



zondag 12 april 2015

BOM (SCHUIT). WAT IS DAT?



DE OPVOLGER VAN DE PINK!



Een bom is een Nederlands vissersvaartuig voor de visserij op de Noordzee, het wordt ook wel bomschuit genoemd.
Ze is gegroeid uit de pink die reeds in het begin van de 16e eeuw in de vaart was in Zeeland en Holland en er de haring- en de schrobnetvisserij beoefende,
Omstreeks 1720 voerde de 'dubbele strand- of zeeschuit' zoals de pink toen genoemd werd, een bezaantuig met één mast, sommige ook met een druilmast.
Aan de grote mast werd behalve het grootzeil ook een ratopzeil gevoerd, evenals een stagfok, en op de kluiverboom een kluiverzeil. Als een druilmast werd gevoerd, was deze getuigd met een klein gaffelzeil, waarvan de boom op een papagaaistok was uitgehaald. De oudere bomschuiten, met een breder gebouwde romp dan de pink, hadden meer zeeg, een minder log uitzicht en smallere zwaarden.

Bomschuit.

Verklaring van de cijfers: 1. - Tjikkera. 2. - Gaffeltopzeil. 3. - Gaffel. 4. - Steng. 5. - Piekeval.
6. - Ton. 7. - Klauwval. 8. - Jachtfokkeval. 9. - Tjikkeschoot. 10. - Tjik. 11. - Vaste bezaan. 
12. - Grootzeil. 13. - Halstalie. 14. - Stagfok. 15. - Kluiver. 16. - Schoot. 17. - Giek.
18. - Kluifhout.

Reeds in de 17e eeuw en nog omstreeks 1800 sprak men van Zijdse bommen.  Zijde werd de kust genoemd van de Maasmond tot Huisduinen. Zij werden gebouwd te Scheveningen, Katwijk, Egmond, Noordwijk en Zandvoort.

De lengte/breedte verhouding was 2:1.
Afmetingen: lengte 29 voet; breedte 16 voet; holte 5 voet. Draagvermogen 14-18 last.
De bom werd gebouwd op een braad vlak van zware naast elkaar liggende planken. De voorsteven was recht met gebogen voet en deze werd vallend op het vlak geplaatst evenals de rechte achtersteven. De dwars doorsnede van de romp was U-vormig.
De overnaadse beplanking werd tegen de zijkant van het vlak gezet. Het boord was over de gehele lengte recht en in de boegen boog het in een korte bocht haaks naar de stevens, zodat het schip praktisch een rechthoekig plan had.
De romp was geheel gedekt en voorzien van een bun. De brede zwaarden hingen midscheeps.
Op het boord van het voorschip stonden de geesten, twee stijlen met een horizontale spil waarover de netten werden gehaald. Na het opheffen van het kaakverbod in 1857 werden de bommen geleidelijk groter en bereikten ze een lengte van 49 voet.
De tuigage was in grote trekken zoals reeds beschreven. Het ratopzeil was echter vervangen door een gaffeltopzeil, tjik genoemd. het grootzeil kreeg een langere gaffel en een korte boom. 
De bom was verder het enige Nederlandse vissersvaartuig dot op kleurige wijze versierd was met schilderwerk, kenmerkend voor de rederij Bommen waren de strandschepen die landden op het strand, ook nog nadat in 1904 de haven van Scheveningen werd geopend. De laatste bom bleef in de vaart tot in 1918.


 De schuiten werden met behulp van paarden het strand op- of afgesleept over een pad van planken.
Bommen zijn ook gebruikt als koopvaardijschip en als marinevaartuig.
Een klein type bom was de garnalenschuit van Zandvoort. Dit schip had een vlakke spiegel en was niet zo rechthoekig gebouwd als de bom, maar meer eivormig. Zij was enkel voor de mast gedekt. Achter de mast bevond zich een ruim, eventueel met een bun. Zij voerde slechts één mast met bezaantuig: grootzeil, stagfok en kluiver.
De laatste garnalenschuit van Zandvoort verdween in 1929 en te Katwijk in 1940.


De loggerbom was het soort schip dat de plaats van de bom trachtte in te nemen toen bleek dat dit vaartuig geen toekomst meer had.
Zij werd in 1899 ontworpen door de Scheveningse scheepsbouwer Jan van der Ende.
Dit schip was bijna dubbel zolang als de bom.
Het was evenals deze gebouwd op een plat vlak, alhoewel dit smaller was en een langscheeps ingebouwde kiel had. Het voorschip was scherp en had een rechte lichtvallende steven.
Het achterschip was gebouwd met een rond overhangend hek. Het grootspant was U-vormig.
Het kitstuig bestond uit een grote mast met een gaffelzeil met boom, een stagfok en een gaffeltopzeil.
Op een kluiverboom werd een kleine kluiver bijgezet. De bezaansmast was getuigd met een gaffelzeil met boom en een gaffeltopzeil. Er werden slechts zes van deze schepen gebouwd en de laatste verdween in 1921 uit de vaart.
Afmetingen: lengte 22 meter; breedte 7,15 meter; holte 2,9 meter.

  

zaterdag 11 april 2015

PINK (SCHIP). WAT IS DAT?


VAREND VAN DE 15E TOT DE 19E EEUW.




(1)  Een pink is een type koopvaardijschip dat reeds in de 15e eeuw werd genoemd voor de vrachtvaart op Engeland vanuit Frankrijk en de Nederlanden.
Het is mogelijk dat deze pinken vissersschepen waren die tijdelijk voor de koopvaardij voeren.
In de 18e eeuw voeren pinken vooral in Noordwest-Europa. Het waren schepen die vlakker waren gebouwd dan een fregat, maar scherper dan een bark. De pink had een smal, hoog achterschip met een klein hakkeboord, soms een galjoen, meestal een vrij stomp voorschip met bijna rechtstaande voorsteven zonder versiering.
De romp had een tamelijk ronde dwarsdoorsnede met sterk invallend bovenboord, waardoor een smal dek werd verkregen. Zij hadden zowel één als twee dekken.
In de 19e eeuw verdween het hoge achterschip, waardoor zij moeilijk van een fregat te onderscheiden waren.
Zij waren in Noord-Europa nog in aanbouw tot 1872. Behalve voor de koopvaardij werden zij ook gebruikt als bevoorradingsschip voor de oorlogsschepen.
De normale tuigage was een driemasttuig. De benaming 'pink' heeft meer betrekking op de rompvorm dan op de tuigage.
Afmetingen in de 18e eeuw waren: lengte 16,5 tot 34,45 meter; breedte 5,2 tot 9,3 meter; holte 2,45 tot 4,85 meter. Draagvermogen 24 tot 180 ton aan last.


(2)  Het was ook een koopvaardijschip van de Middellandse Zee, vooral op de Italiaanse kust, in de vaart van de 17e tot de 19e eeuw (zie tekening boven). Toen het grootste koopvaardijschip met latijnzeilen. Het hoog oplopende achterschip werd afgesloten door een met snijwerk versierd hakkeboord. De romp was volledig gedekt. Achter de grote mast lag een halfdek, in het achterschip ook nog een kort zonnedek zonder verschansing.


( Een versierd hakkeboord van een schip.)

De lading werd zowel onder- als bovendeks gestuwd; een deel werd ook over de gehele lengte van het verdek buiten het boord van het schip gehangen.
De tuigage bestond uit twee paalmasten en een bezaansmast.
De voorstevenknie en lange galjoen waren van een boegspriet voorzien. De fokkemast had een sterk voorwaartse valling, de grote mast stond verticaal, de bezaansmast stond excentrisch en helde achterover.
Op de boegspriet werd een vliegende kluiver gevaren. In oorlogstijd voerden deze pinken 32 stuks geschut.
Afmetingen: lengte 34,5 meter; breedte 5,55 meter; holte 3,6 meter.
Draagvermogen: 300 ton.

(3)  Een Nederlands vissersvaartuig voor de visserij op de Noordzee. Het type schip werd reeds genoemd in de eerste helft van de 15e eeuw, zij het dan als vrachtvaartuig.


De oudste afbeeldingen vind men terug op schilderijen en tekeningen uit de eerste helft van de 16e eeuw.
Pinken werden gebruikt langs de hele Hollandse, Friese en Zeeuwse kust, naderhand alleen op de Hollandse kust.
Deze pinken waren scheepjes van 6 tot 9 haringlasten. Het platte vlak was lancetvormig en samengesteld uit zware planken. De voorsteven was gebogen en had een sterke valling, de achtersteven was recht en had een matige valling.
Het boord werd overnaads tegen de zijkant van het vlak gezet.
Het grootspant was U-vormig, de kop volrond, onder water tamelijk weggeveegd, evenals het achterschip.
Achter de mast volgde het ruim, dat afgesloten werd door een achterplecht die in het achterschip nog verhoogd was. Sommige van deze visserspinken hadden in het boord geesten voor het inhalen van het haringnet.
Zeventiende-eeuwse pinken voor de haringvisserij waren hoger opgeboeid en hadden in het achterschip een kajuit en een vooronder in het voorschip.
De grote mast van de pink was strijkbaar, stond bijna midscheeps en voerde een razeil. De fokkemast die veel kleiner was, stond vlak achter de voorsteven en voerde eveneens een razeil.
De zwaarden waren lang en smal. Tegen het einde van de 17e eeuw begonnen pinken ook bezaanzeilen te voeren en veranderde het type naar het latere type schip genaamd bom.
Afmetingen: lengte 10,65 meter; breedte 3,65 meter; holte 1,7 meter.





woensdag 8 april 2015

STUURINRICHTING. WAT IS DAT?

OM HET ROER TE BEDIENEN.

STUURINRICHTING IS EEN MECHANISME OM HET ROER TE BEDIENEN NAAR DE PLAATS VAN BESTEMMING.

Oorspronkelijk werd voor het besturen van een vaartuig volstaan met een peddel, later na de plaatsing van het roer door middel van de helmstok of stuurpen, welke alle met de hand werden bewogen.

De eerste verandering in het bedienen van het roer was het in gebruik nemen van de kolderstok, kalder of kanterstok.

Bediening van roer op schip uit 17e eeuw.

Verklaring van de cijfers:
1. - Kolderstok. 2. - Helmstok. 3. - Roer.

Toen in de loop van de 15e eeuw schepen met meerdere dekken werden gebouwd, bevond de roerganger aan de helmstok zich onder dek.
Ten einde hem op een hoger dek te kunnen plaatsen met het zicht op de zeilen, werd op de kop van de helmstok, verticaal en draaibaar, een kolderstok aangebracht. Deze stak verschuifbaar door een gat, dat was geboord in een in het bovenliggende verdek bevestigde klos draaibare klos of bril.
Door de kolderstok op zijn draaipunt, de bril, naar stuurboord te drukken, bewoog de helmstok zich naar bakboord en het roer naar stuurboord.
De uitslag van een op deze wijze bediend roer was niet groter dan 5 tot 10 graden uit het midscheeps, zodat de besturing ook van de zeilvoering afhing. Met de kolderstok kon slechts worden bijgestuurd.
In het begin van de 18e eeuw werd de kolderstok vervangen door het stuurrad.

(Uitvoering van een stuurrad op de helmstok.)

Het in gebruik raken van de stuurtalies en de daartoe opgestelde windas, leidde in de eerste helft van de 18e eeuw tot het invoeren van het stuurrad.
Een dergelijk stuurrad kon met de bijbehorende trommel op de helmstok worden geplaatst, waarbij de vaste blokken van de stuurrepen in de zijden van het schip waren bevestigd.
Een andere mogelijkheid was om het stuurrad met trommel vast aan het dek te plaatsen en het bewegende blok van de stuurreep aan de helmstok te bevestigen. Door de boogvormige baan van het uiteinde van de helmstok kon deze niet geheel in de trekrichting van de takelgestellen liggen, waardoor bij bepaalde standen speling in de stuurrepen ontstond. Men heeft dit trachten te ondervangen door de reeptrommel een dubbelkonische vorm te geven, doch in andere gevallen door een deel van de helmstok uitschuifbaar te maken.

Om de rek uit de talies op te lossen werd in latere periode gekozen voor het aan brengen van een ijzeren ketting.

Verklaring van de letters:
A. - Stuurrad.
B. - Windas.
C. - Ketting (stuurreep)
D. - Achteruitwijzende stuurpen.



(Stuurinrichting, in zij- en bovenaanzicht, van een houten zeilschip uit het begin van de 19e eeuw.)

Verklaring van de cijfers:
1. - Roer.
2. - Helmstok.
3. - Stoel voor de door de trommel gaande as.
4. - Stuurreep van tuigketting.
5. - Trommel.
6. - Stuurrad.

Het nadeel van dit stuursysteem is dat de roerganger naast het stuurwiel moet gaan staan om zicht op het voorschip te houden.

(Mechanische schroefstuurinrichting. in de linker afbeelding een bovenaanzicht en de rechter afbeelding onder een zijaanzicht.)

Verklaring van de cijfers:
1. - Roerkoning.
2. - Pakkingbus.
3. - Helmstok voor noodgevallen.
4. - Juk of ossekop.
5. - Koppel- of trekstangen.
6. - Langsscheepse as met linkse- en rechtse
      schroefdraad.
7. - Stuurrad.
8. - Stuurkist, zgn. broodawagen met zitbanken
      op de zijkanten.
9. - Roosters voor de roeganger (tegen uitglijden)
10. - Logrol met loglijn, onder de stuurkist
      opgeborgen.

In de 19e eeuw ontstond de zogenaamde patentstuurinrichting, waarbij het stuurwiel een draadstang ronddraaide, waarop bijvoorbeeld aan de voorzijde linkse- en aan de achterzijde rechtse draad was gesneden.
Om deze draadstang grepen twee klossen die zich bij draaiing van de as in tegengestelde richting bewogen en via hefbomen de roerkoning draaiden.
Dit werd het normale stuursysteem op de meest grotere zeilschepen en bleef ook lang nog in gebruik op mechanisch voortbewogen schepen.

MECHANISCH VOORTSTUWING.

Op stoomschepen ontstond spoedig behoefte de roerbediening midscheeps te plaatsen, waar zich ook te scheepsbrug bevond. Bovendien kon door de beschikbaarheid van stoom een stuurmachine worden aangedreven die de stuurtrommel draaide.


Overbrenging van de stuurbeweging van een midscheeps geplaatste stuurmachine (A), naar het achterschip gelegen roerkwadrant (B). De stuurreep bestaat uit ketting, stangen, bufferveren en spanschroeven.


Stuurrad (A) dat door middel van een draadstang (B) de sloffen (C) beweegt en daarmee het stuurjuk (D) doet draaien. Bij de afgebeelde inrichting is ook een kwadrant (E) aanwezig voor de kettingstuurrepen gebruikt bij de stoommachine.

Een vernuftig arrangement van hefbomen en schuiven deed de stuurmachine draaide als het stuurrad draaide en stoppen wanneer ook het stuurrad stil stond.
Speling in de stuurrepen werd voorkomen door het gebruik van een kwadrant ter plaatse van of rond de roerpen of helmstok.
De aanwezigheid van een machine op of nabij de brug en het primitieve bewegingssysteem via stuurrepen, bestaande uit kettingen, stangen en veren, kon vervallen met het gebruik van betere afstandbedieningssystemen die de bewegingen van het stuurrad aan een in het achterschip nabij de roerkoning geplaatste stuurmachine konden doorgeven.

(Verticale stoomstuurmachine uit het einde van de 19e eeuw.)

                                                                Verklaring van de cijfers:
1. - Handstuurrad.
2. - Stoomstuurrad.
3. - Koppelininrichting stelschroef.
4. - Kettingrol met stuurketting.
5. - Kettingschijf.
6. - Rechttandwiel.
7. - Rondsel.
8. - Wormwiel.
9. - Conisch tendrad, kroonrad of kegelrad.
10, - Schuifstang naar brug.
11. - Schuifstang.
12. - Kleppenhuis (stoonschuifkast).
13. - Krukschijf.
14. - Drijfstang of krukstang.
15. - Hoofdas./
16. - Zuigerstang kruishoofd.
17. - Pakkingbus.
18. - Stoomcilinder.
19. - Voet- of fundatieplaat.
                                                                20. - Staanders, dragers of steunen.



 (Tekening van de werking stoomstuurmachine bediend via een telemotor vanaf de brug.
De telemotor (A) verstelt de regelschuif (B), waardoor de machine (C) gaat werken en het roerkwadrant (D) doet draaien. Via een worm (E) op de krukas wordt ook de schuif weer in de middenstand geplaatst en daarmee de stuurmachine tot stilstand gebracht.

Later werd de hydraulische overbrenging toegepast met behulp van de telemotor.

het stuurrad beweegt plunjers in cilinders, gevuld met olie of een mengsel van water met clycerine.
De druk wordt via dunne leidingen naar de regelschuif van de stoomstuurmachine in het achterschip geleid.
Bij motorschepen werd de druk naar de stelring van de radiaalplunjerpomp van de elektrisch-hydraulische stuurmachine geleid. Uiteindelijk maakte de hydraulische telemotor plaats voor de zuiver elektrische overbrenging, werkend met schakelsystemen.



(Het hydraulische systeem met de telemotor.)

Verklaring van de cijfers:
1. - Stuurrad.
2. - Roerverklikker.
3. - Versnellingsrondsel.
4. - Rondsel.
5. - Tandheugel.
6. - Zuiger.
7. - Cilinder.
8. - Vloeistof.
9. - Bijvultank.
10. - Leidingen naar de ontvanger.
11. - Ontvanger.
12. - Cilinder.
13. - Zuiger.
14. - Balansgewricht van de      
         telemotorinrichting.
15. - Pompen.
16. - Roer.
17. - Helmstok.
18. - Zuiger.
19. - Oliecilinder.

Er bestaan vele soorten stuurmachines die alle aan enkele eisen moeten voldoen:
1. - Als het stuurrad naar stuurboord of bakboord wordt bewogen, moet de klik van het roer naar de zelfde zijde bewegen.
2. - Zodra het stuurrad niet meer gedraaid wordt, moet de stuurmachine tot stilstand komen en het roer blijven staan waarin het is gebracht.
3. - Ze moeten zo sterk zijn dat onder alle omstandigheden het roer met voldoende snelheid van boord tot boord kan worden gedraaid.
4. - Bij maximum snelheid moet het schip op gemakkelijke wijze kunnen worden bestuurd.
5. - Op alle plaatsen waar een stuurinrichting kan worden bediend, moet de stand van het roer waarneembaar zijn door een roerstandaanwijzer.
6. - Elk schip moet zijn voorzien van een doelmatige hulpstuurinrichting die door een krachtwerktuig moet kunnen worden bewogen als de diameter van de roerkoning een bepaalde maat overschrijdt.



Schema van een elektrisch hydraulische stuurmachine, bediend via de telemotor (A) die een roterende plunjepomp (B) zodanig verstelt dat deze olie levert aan de cilinders (C), waarin rammen bewegen die de helmstok (D) naar de gewenste zijde duwen.


(Moderne automatische stuurinrichting op schepen met een gyro-kompas.)

Verklaring van de cijfers:
1. - Stuurrad.
2. - Gyrokompasverklikker.
3. - Synchroniseringsknop voor verklikker.
4. - Roerstandaanwijzer.
5. - Instelling naar weersomstandigheden
      (zeegang) bij automatische besturing.
6. - Instelling van de gewenste roerhoek,
      o.a. afhankelijk van de belading.
7. - Regelknop verlichting.
8. - Regelaar koersverandering.
9. - Manometers van de hydraulische telemotor.
10. - Koppeling/ontkoppeling van de automatische
       besturing.


Met de vooruitgang van de elektrotechniek werd het mogelijk de bediening in belangrijke mate te automatiseren. Tegenwoordig worden dan ook de zeeschepen voorzien van een automatische stuurinrichting, een elektrisch apparaat dat, geschakeld tussen kompas en stuurmachine, de laatste zodanig kan bedienen dat het schip een bepaalde koers blijft volgen. 


( Een elektrisch hydraulische uitgevoerde stuurmachine met twee set cilinders met rammen en twee roterende plunjerpompen opgesteld in een volledig afsluitbare stuurmachinekamer van een tanker.)

Door de juiste instelling voor de toegestane koersafwijkingen ten gevolge van slingeren of rollen van het schip, alsmede voor de mate van tegenroer bij grotere afwijkingen, kan dikwijls zeer zuiver koers worden gehouden. In een loodsvaarwater wordt de automaat meestal uitgeschakeld en wordt er overgegaan op sturen met de hand.


Links in de afbeelding een moderne elektrisch hydraulische stuurmachine installatie aan boord van een productentanker, van de fabrikant AEG, zonder grote cilinders met rammen. Ook deze is dubbel uitgevoerd.)

Uitwijkmanoeuvres en andere koerswijzigingen op zee kunnen en worden echter veelal uitgevoerd door de juiste manipulaties aan de automaat-instelling.
Door de verder vooruitgang in de techniek is er ook een einde gekomen aan het gebruik van het stuurwiel, wat plaats heeft moeten maken voor een stuur-stick.