donderdag 2 juli 2015

THOR HEYERDAHL. WIE WAS HIJ?

STAKEN DE EGYPTENAREN DE

ATLANTISCHE OCEAAN EERDER OVER 

DAN COLUMBUS?


Thor Heyerdahl werd op 6 oktober 1914 geboren te Larvik in Noorwegen. Hij studeerde in Oslo en werd geograaf en antropoloog. In 1937 ging hij naar de Marquesas Eilanden.
Tijdens zijn verblijf op deze eilanden ontwikkelde hij de theorie, dat de Stille Oceaan bevolkt moest zijn vanuit Zuid-Amerika.
Ten bewijze voer hij in 1947 met 5 medereizigers op een vlot gemaakt uit balsa-hout de 'Kon-Tiki' van Peru naar de Tuamotu Archipel een afstand van 4300 zeemijl. 
Vervolgens meende Heyerdahl dat de enorme beelden, het schrift en de legenden van het Paas Eiland duidden op de door hem aangenomen cultuurstroom.
De beelden konden volgens hem niet zijn opgericht door de eenvoudige inheemse bewoners. Zijn theorie vond vooral in Amerika veel aanhangers, maar ook heftige tegenstanders.
Zo heeft de antropoloog R.C.Suggs in zijn werk 'The Island Civilisation of Polynesia' Heyersdahl's theorie zwaar bestreden. Volgens Suggs vond bevolking plaats vanuit Azië.

           ( Ra II waarmee het Heyerdahl en zijn bemanning een geslaagde oversteek maakten.)

In juni 1969 ondernam Heyerdahl met het papyrusvlot Ra, dat was samengesteld uit bundels stengels van de papyrusplant, een poging om de Atlantische Oceaan over te steken van oost naar west.
Deze poging mislukte doordat in een zware storm de boeg van het vlot afbrak. De bemanning werd gered, doch de Ra moest als prooi van de elementen op de oceaan worden achtergelaten.

In mei 1970 vertrok Heyerdahl vanuit de Marokkaanse haven Safi met de 13 meter lange papyrusboot Ra II en een internationale bemanning van 8 koppen voor een nieuwe poging de Atlantische Oceaan over te steken.
Deze reis had een gunstig verloop; na een tocht van 57 dagen, waarbij 6300 kilometer werd afgelegd, arriveerde hij op het eiland Barbedos.
Heyerdahl wilde met deze reis aantonen dat de oude Egyptenaren in soortgelijke vaartuigen de oversteek zouden kunnen hebben gemaakt lang voor Vikings of Columbus dat zouden hebben gedaan. Het feit of het wel of niet zo was wordt nog steeds betwist door de geleerden.





dinsdag 30 juni 2015

HEKWIELER. WAT IS DAT?

GEBOUWD VOOR ONDIEP

WATER.



Een hekwieler is een raderboot waarvan het scheprad aan het hek is aangebracht. Ten gevolge van de zeer geringe diepgang is de hekwieler bij uitstek geschikt voor de vaart oever ondiepe rivieren en kalme wateren.



(Hekwieler. Stoomsleepboot ontworpen door Jonathan Hulls. Afbeelding uit 1737 te Londen.)

Het eerste ontwerp (zie afbeelding boven) voor een stoomsleepbootje, voortbewogen door een hekwiel, was van de Engelse werktuigkundige Jonathan Hulls, die in 1736 hierop patent verkreeg.
Zijn ontwerp is zo ver bekend nooit uitgevoerd. 
De eerste in de vaart gebrachte hekwieler was de stoomsleepboot 'Charlotte Dundas', die in 1802 in gebruik werd gesteld op de Clyde in Engeland. Het schip had een dubbelwerkende machine van het type Watt van 10 pk met 1 horizontale cilinder, die direct via de zuiger een drijfstang in beweging bracht.
Reeds spoedig verschenen hekwielers in Amerika waar zij zich bijzonder goed leenden voor de vaart op rivieren en een zeer belangrijk en populair middel van vervoer werden, vooral op de Mississippi rivier.
Een hekwiel bood boven zij-raderen het voordeel dat de scheepsbreedte aanzienlijk kleiner was en dat andere vaartuigen over de gehele lengte langszij konden liggen.

(De 'Negara' uit 1901 van de Kon. Pakketvaart Maatschappij.)

De Koninklijke Pakketvaart Maatschappij heeft in het toenmalig Nederland Oost-Indië een zestal van deze schepen bezeten, zoals de 'Negara' van 87 brt in 1901 en de 'Kapoeas' van 82 brt uit 1905.
Ook de Gouvernementsmarine heeft de beschikking gehad over een hekwieler de 'Tamiang' (1895), die dienst deed op de gelijknamige rivier. In 1901/02 heeft dit schip dienst gedaan bij de Koninklijke Marine op de Djambi rivier te Sumatra. Voorts heeft de Koninklijke Marine in Nederland een vijftal zogenaamde hekwielersloepen in dienst gehad (1886), die tot in de WO I dienst hebben gedaan.

(Hekwieler, omstreeks 1920 gebouwd te Antwerpen voor de vaart op de Congo rivier in Afrika.)

Bij John Cockerill te Hoboken en bij Chantiers et Ateliers de l' Escaut te Antwerpen  in België werden destijds veel hekwielers gebouwd voor de riviervaart in de toenmalige Belgische Congo.

Nog steeds treft men hekwielers aan op grote rivieren in Amerika, Afrika en op de Rijn in Duitsland. Tot 1949 was de grootste van de zogenaamde duwboten op Mississippi, een hekwieler van de Standard Oil Company (Esso). Dit schip, de 'Sprague', kon een vloot van niet minder dan 56 lichters, waarin een lading van 54.000 ton werd vervoerd voortduwen. Deze 'Sprague', ook wel 'Big Mamma' genoemd mat 84,2 x 18,6 x 2,26 meter. Het hekwiel had een diameter van 12,2 meter en werd aangedreven door een stoommachine van 1600 pk. Het aantal omwentelingen van het rad was 8 per minuut. Het schip is nu als River Museum opgelegd te Vicksburg Mississippi.



maandag 29 juni 2015

HARING, KAKEN EN VANGST. WAT EN HOE? (DEEL-2)


ZE IS ER WEER!



DE HARINGVISSERIJ.

Haringvisserij is het beroepsmatig vissen op haring. Er zijn geen aanwijzingen dat vóór het jaar 1000 in onze streken haring voor de markt werd gevangen. Reeds geschiedde dit in de 13e en 14e eeuw in Schonen aan de zuidwestelijke kust van Zweden aan de ingang van de Oostzee. De haring werd daar direct onder de kust gevangen, waarschijnlijk met staande netten en met kleine scheepjes aan wal gebracht. Rond de centra Skanör (Schonen) en Faltsterbo werd de haring bewerkt, gezouten en in tonnen verpakt. Deze gezouten haring was een van de hoofdproducten van de handel van de Hanzesteden. Het werd onder de naam Schonenharing in een groot deel van West-Europa verbruikt.
Kleinere centra van haringvisserij aan de kust kwamen in de twaalfde eeuw voor bij Great Yarmouth op de Engelse kust en voor de Vlaamse kust. Bij deze visserij werd gebruik gemaakt van drijfnetten.
Het gevangen product werd vers of met zout besprenkeld in de handel gebracht.
Eerst in de tweede helft van de 13e eeuw werd op Vlaamse vissersschepen op kleine schaal begonnen met het aan boord zouten en in tonnen leggen van de haring. Deze 'visserij ter zoute'  breidde zich allengs uit. Er werd steeds meer op zee gezouten, niet alleen door de Vlamingen, maar ook spoedig door de Zeeuwen en de Hollanders. ER ontstond een aan het kaken op zee en het inzouten in tonnen aangepast scheepstype, de haringbuis of buis en een combinatie van drijfnetten, de vleet (drijfnetvisserij).

Hiermede was de grondslag gelegd voor de later beroemd geworden grote visserij welke zich in de 17e eeuw geheel in Holland heeft geconcentreerd. De haringvisserij als kustvisserij behoorde toen het verleden. In Great Yarmouth en voor de Engelse kust is de haringvisserij gebleven. De haring werd daar vers aan wal gebracht en dan in de hoofdzaak gezouten.

Tot in de 20ste eeuw is de haringvisserij in de Noordzee met drijfnetten uitgeoefend. Aan het begin van de vorige eeuw waren het de Engelsen, de Schotten, de Nederlanders en de Duitsers die in de haringvisserij de toon aangaven. Een grote verandering deed zich voor toen de mechanische voortbeweging van de schepen en door verbetering van de vangsttechniek de haringvisserij met het trawlnet ontstond. Deze trawlharingvisserij werd in ons land ingevoerd in de jaren twintig v an de vorige eeuw. Aanvankelijk langzaam, maar daarna steeds sneller heeft het haringtrawlnet het drijfnet vrijwel geheel verdrongen. Dat Nederland een sterke positie in de aanvoer van gezouten haring heeft weten te behouden, ligt in het feit dat de bemanningen van oudsher bekend waren met het proces van kaken en zouten van haring en dit aan boord van trawlschepen zijn blijven toepassen.
Thans zijn de Nederlanders praktisch de enigen in West-Europa die nog aan boord van schepen kaken. 

Haring visserij met Purse-seine of ringnet.

Verklaring van de cijfers: 1. - Volgboot;  2. - Vissersboot; 3. - Drijvers; 4. - Bovenpees; 5. - Bijboot;
6. - Onderpees verzwaard met lood; 7. - Lijn voor het dichttrekken van het net.


Na de WO II heeft zich ook de spanvisserij op haring ontwikkeld. Een span bestaat uit twee schepen die op enige afstand van elkaar varen en samen een net voorttrekken. Meestal geschiedt dit door kotters, doch de spanvisserij wordt ook wel door trawlers uitgeoefend. Van de periode na 1960 dateert de visserij op haring met de purse-seine in de Noordzee. Dit is een zegennet dat na omsingeling van een school haring aan de onderkant wordt dicht getrokken. Het is een zeer kostbaar net dat door middel van een zogenaamd 'power block' wordt ingehaald. Met dit vistuig kunnen zeer grote vangsten per trek worden gemaakt.
Doordat vooral de Noren deze haringvisserij op grote schaal hebben toegepast, is de haringstand in de noordelijke Noordzee door overbevissing aangetast.

Een haringvangst welke in de loop der eeuwen met verschillende vistuigen grote resultaten heeft gegeven was die op de Zuiderzee. Hier kwam een einde aan na de aanleg van de Afsluitdijk.


HARINGTRAWL.

( Boven- en zijaanzicht van een haringtrawlnet.)

Dit net is volgens een Frans patent, met twee headlijnen; lengte van de bovenpees 19,25 meter (63  Eng. feet.)

Verklaring van de letters:
a. - Vislijn.
b. - Visbord.
c. - Kabel (36,5 meter)
d. - Knuppel.
e. - Staande rijg.
f. - Bovenpees.
g. - Grondpees.
h. - Buiktouw.
i. - Verdeelstrop.
j. - Kuiltouw.
k. - Grote headlijn.
l. - Grote hoogtescheerbord.
m. - Kleine hoogtescheerbord.
n. - Kleine headlijn.
p. - Kuilbendel.


Haringtrawl, een trawlnet dat speciaal is ingericht voor het vangen van haring.
De haringtrawl onderscheidt zich van een trawlnet vooral hierin, dat de verticale opening van het net groter is dan een gewoon trawlnet en dat de maaswijdte in het achternet kleiner is.
Het vergroten van de verticale opening van het net bereikt men door een speciale vormgeving van het net en door de bovenpees op te trekken door hoogtescheerbordjes.

HEKTRAWLER.

Een hektrawler is een vissersschip waarop het trawlernet over het achterschip wordt uitgezet, gesleept en binnengehaald. Men onderscheidt daarbij schepen met of zonder een slipway.
Bij het uitzetten en halen van het net kan een rechte koers gevaren worden. Een hektrawler maakt het mogelijk dat de bemanning de vis in een overdekte ruimte verwerkt.
Op de grotere schepen worden visverwerkingsmachines geïnstalleerd waardoor de fabrieksschepen worden.
In het algemeen zijn hektrawlers voorzien van diepvriesinstallaties, zodat zij de vis in blokken diepvriesvis kunnen aanvoeren. De reisduur kan daardoor langer worden en het aangevoerde product is minder afhankelijk van de prijsfluctuaties op de markt. Dit komt de economie van het schip ten goede. De hektrawler is bezig de zijtrawler geheel te verdringen. De reden hiervoor is dat de hektrawler beter voldoet aan de eisen van mechanisatie, rationalisatie, beschutting bemanning, betere kwaliteit en houdbaarheid van het product.



zondag 28 juni 2015

HARING, KAKEN EN VANGST. WAT EN HOE? (DEEL-1)

ZE IS ER WEER!


EEN OUD GEZEGDE; DE HARING IN HET LAND DE DOKTER AAN DE KANT!

HARING.


Haring een familie vissen met één rugvin midden op het lichaam; de aarsvin staat ver naar achteren; de schubben, meestal gemakkelijk uitvallend, langs de onderkant van de buik vaak scherpe randen.
De familie van de haringen omvat de voor de visserij en voedselvoorziening belangrijkste vissoorten: behalve de haring zelf de ansjovis en de pelser (pilchard of sardine). 

1. - HARING.

Haring (Clupea harengus), veel komend in de noordelijke Atlantische Oceaan en de daaraan grenzende zeeën. In de Stille Oceaan komt een verwante soort, (clulea pallasii) voor. De ons bekende haringsoort is te verdelen in talrijke rassen die eigen paartijden en -gronden hebben; lichamelijk kunnen zij verschillen door het aantal wervels.
Tussen IJsland en Noorwegen komt het Atlantische ras voor, 'sloeharing' genaamd, groot van stuk, waarvan langs de IJslandse en vooral de Noorse kust honderden miljoenen kilo's per jaar worden gevangen.  De belangrijkste vis is de 'noordzeeharing', met enkele rassen die gewoonlijk genoemd worden naar de paaigronden of paaitijden, bijvoorbeeld: de Schotsevoorjaarsharing paait in het voorjaar, de Doggersbankharing in september, de Kanaalharing in december.
Laatstgenoemde haring wordt in oktober op haat weg uit de Noordzee naar de paaigronden in het Kanaal als Engelsewalharing gevangen; deze tak van de visserij wordt dicht onder de Engelse kust uitgeoefend en is voor Nederland van grote historische betekenis geweest. In de vroegere Zuiderzee paaide in het voorjaar een ras dat na de afsluiting zo goed als uitgestorven is.



(Paaiplaatsen in de Noordzee, trek van larven en verblijfplaatsen van bliek; de 'kinderkamers'.)  

De eieren van de noordzeeharing worden afgezet op harde, vaak stenige grond waarop zij in dikke lagen vastkleven. De jonge visjes komen overal in de Noordzee voor. Bij een lengte van 10-15 cm worden zij 'bliek' of 'zeebliek' genoemd; zij trekken vaak in grote aantallen de kustwateren in. 
Bij een lengte van 15 tot 20 cm noemt men ze 'toter'.
Bij een lengte van ruim 20 cm en op een leeftijd van ongeveer drie jaar wordt de haring geslachtsrijp.
De haring voedt zich met met kleine dieren uit het plankton, vooral copepoden. In een paar maanden kan hij vet worden, houdt op met eten en verbruikt het vet, de reservestof voor de voortplanting. Het vetgehalte is des te hoger en de kwaliteit vaak des te beter naarmate er minder van de reservestoffen zijn verbruikt; haring op zijn vetst bevat 21% vet, soms nog meer; na het paaien echter vaak minder dan 1%. Vette haring die nog niet of weinig ontwikkelde geslachtsproducten bevat wordt 'maatjesharing' (maagdekensharing) genoemd. Bij volle haring zijn hom of kuit sterk ontwikkeld. 'Homziek' of 'kuitziek' is de haring als deze producten zonder bijzondere druk uit het lichaam komen. Na het kuitschieten wordt hij ijle haring genoemd.
Slechts een klein deel van de haringvangst wordt vers gegeten. Van oudsher worden grote hoeveelheden door zouten of kaken verduurzaamd. 
Eind mei, als de haring vet begint te worden, wordt de visserij hierop geopend. Na gekaakt en niet zwaar gezouten te zijn levert dit de zo gewaardeerde maatjesharing.
Vóór 1857 mocht de visserij niet vóór 24 juni beginnen; men oordeelde dat voordien de kwaliteit niet voldoende was. Het product is alleen houdbaar bij lage temperatuur ( -2 graden C.); op deze wijze bewaard kan de markt tegenwoordig het gehele jaar worden voorzien van 'maatjes'. 


De laatste vangsten van maatjesharing vóór men naar de haven vertrok, werden vroeger na een kort verblijf in het zout als 'groene haring' aan de markt gebracht. 
In deze haring, waar het zout nog weinig is in doorgedrongen, kan een larve van een nematode (Anisakis marina) in leven blijven. Onder bijzonder omstandigheden kan deze larve bij een mens darmperforaties veroorzaken. Daarom is voorgeschreven dat de haring, voor zij in de consumptie komt, met diepvriezen of met een zekere sterkte van zout moet zijn behandeld. Hierdoor sterft de larve.
In de loop van augustus houdt de vangst van 'maatjes' op; men begint dan volle en wat later ijle haring te vangen. Begin oktober wordt onder de Engelse wal opnieuw volle haring gevangen, van een ander ras, dat in januari en februari grote vangsten aan ijle haring oplevert langs de Vlaamse en Zeeuwse kust.
Volle haring wordt gekaakt en krachtig gezouten, zodat zij bij gewone temperatuur bewaard kan worden. Is zij zonder gekaakt te zijn gezouten, dan wordt zij 'steurharing' genoemd, die later koud gerookt de 'spek- of Engelse bokking' oplevert.
Veel haring wordt vers aangevoerd. Deze wordt tot conserven verwerkt, of licht gerookt tot 'bakbokking', of gestoomd tot 'harde of strobokking', of aan de rug open gesneden en koud gerookt tot 'kipper'. Onbehandelde haring wordt ook wel 'panharing' genoemd. IJle haring is zeer geschikt voor marineren. De Zuiderzee leverde vroeger in het voorjaar grote hoeveelheden haring die meestal tot bak- of harde bokking werd verwerkt, vandaar dat er nog veel rokerijen om het IJsselmeer zijn gelegen. Voor kaken en zouten was deze haring niet geschikt.


( School jonge haring.)

In het buitenland wordt veel kleine van 1 of 2 jaar oud gevangen. Vooral in Noorwegen wordt deze onder de toevoeging van kruiden tot conserven en vooral tot halfconserven verwerkt onder allerlei benamingen, soms ook onder de namen doe op ansjovis ( Duits; sardelle) gelijken. Grote hoeveelheden jonge noordzeeharing worden gevangen voor verwerking tot vismeel. Tengevolge van de intensieve visserij is het haringbestand drastisch aan het dalen gegaan. Nu is een een quotum vastgesteld door de EU wat bepaald de hoeveelheid te mogen vangen vis soorten.


2. - PELSER.

De pelser (Clupea (alosa) pilchardus) is een op de haring gelijkende vis, hievan te onderscheiden door de van één punt uitstralende lijsten op het kieuwdeksel en door de grote schubben. Wordt ongeveer even groot als de noordzeeharing. Jonge exemplaren worden op grote schaal gevangen vanaf de kusten van Marokko tot Bretagne en tot de bekende conserve 'sardine' verwerkt. Ook in de Middellandse Zee komt deze soort voor. De volwassen vorm wordt veel gevangen bij de zuidwest-kust van Engeland. In de zuidelijke Noordzee komt hij in de nazomer of herfst soms ook veel voor; hij kan dan last veroorzaken voor de visserij met drijfnetten omdat hij zich door zijn harde kieuwdeksel niet uit het want laat schudden. 

3. - SARDINE.

Behalve onder deze naam ingeblikte jonge pelsers worden buiten Europa grote hoeveelheden verwante soorten gevangen, die ook  wel sardine of pilchard genoemd worden, meestal van het geslacht Sardinops.
Belangrijke visserijen zijn er langs de westkust van Zuid- en Noord-Afrika en rondom Japan. Aan de westkust van de Verenigde Staten werd vroeger veel gevangen (500.000 ton per jaar), maar sedert 1946 is door onbekende oorzaken de stand sterk afgenomen. Buiten Europa wordt deze vis grotendeels tot vismeel verwerkt.


4. - SPROT.

Sprot, schardijn (Clupea srattus), lijkt veel op een kleine haring, maar is hoger. Kenbaar aan de scherpe kielschubben aan de onderkant van de buik. Deze zijn bij de haring ook wel aanwezig, maar zij het minder hard en scherp. 
De sprot bewoond de Europese zeeën van Noorwegen tot de Zwarte Zee. Tegen de winter vormen zich langs de kust grote scholen die tot de binnenzeeën (Waddenzee, Scheldemond) doordringen. Voor de Nederlandse visserij is hij vrij belangrijk; hij wordt hoofdzakelijk met de spanvisserij gevangen. In nederland wordt de sprot veel gezouten, gerookt, en tot bosjes gebonden. Ook gestoomd zoals kieler sprot en vers is het een smakelijk visje. Sedert de ontwikkeling van de spanvisserij worden dikwijls zulke grote hoeveelheden gevangen dat deze tot vismeel worden verwerkt. 
In Noorwegen wordt de sprot veel ingeblikt en vaak onder op ansjovis gelijkende namen of zelfs als ansjovis op de markt gebracht.

5. - FINT.


De fint (Alosa fallax) verschild van de haring door de meer gedrongen vorm en de zwarte vlek dicht achter het kieuwdeksel. Brengt het grootste deel van het jaar in zee door, maar trekt om te paaien in het voorjaar onze rivieren in, echter niet ver. Hij is daar een voorwerp van de visserij.
Door de slechte kwaliteit van het rivierwater gaat hij voortdurend in aantal achteruit. Het vlees is van matige kwaliteit. 

6. - ELFT.

De elft (Alosa alosa), lijkt op de fint, maar verschilt door een rij van meestal 7 zwarte vlekken op de rug. welke de fint heeft.
De levenswijze is vrijwel gelijk aan die van de fint, maar hij trekt om te paaien veel verder de rivier op. Van de Nederlandse rivieren is deze vis verdwenen, maar in minder verontreinigd water komt hij nog voor.
Aan de oost-kust van de Verenigde Staten komt een verwante soort voor, die daar van grote betekenis is, mede door prima kwaliteit van het vlees dat vooral gerookt tot de delicatessen gerekend wordt. 

7. - ANSJOVIS.

De ansjovis (Engraulis encrasicholus), is een zeer slank visje met fraaie zilverglans. De vis is vooral kenbaar aan de spitse bovenkaak die ver voor de onderkaak uitsteekt. Hij brengt het grootste deel van het jaar in open zee door, maar trekt in de paaitijd naar de kusten tot in de binnenzeeën met brak water.
Toen de Zuiderzee nog open was, trok de ansjovis in sommige jaren in grote aantallen hier binnen en vormde een belangrijk voorwerp van de visserij. De vis paaide vooral in de omgeving van Enkhuizen en Staveren en werd daar gevangen met het staande net en de kuil. Thans wordt hij nog gevangen met de weer in de Oosterschelde en met de kamer in de Waddenzee. De vangst bedraagt daar enkele honderden tonnen.

(Een school ansjovissen.)

Buiten Nederland wordt de vis veel gevangen langs de Spaanse westkust. De ansjovis wordt steeds gezouten en is dan na verloop van een jaar of langer een zeer geleide delicatesse. Daar de vis lang bewaard kan worden en de vangsten in de toenmalige Zuiderzee van jaar tot jaar zeer sterk kon variëren , vormde hij vroeger een object voor speculatie. Hij wordt verpakt in tonnen van 50 kilo inhoud, ankers genaamd.
Verwante ansjovissoorten spelen een zeer belangrijke rol in de visserij langs de westkust van Amerika van Brits-Columbia zuidwaarts. 
De noordelijke soorten worden veel gebruikt als aas voor de visserij op tonijn. Langs de kust van Peru wordt ansjovis op grote schaal gevangen, soms meer dan 10 miljoen ton per jaar. De vis moet hier dus zeer talrijk voorkomen en geschat wordt dat de vogels in dat gebied ook nog een 3 miljoen ton per jaar verbruiken. De vangsten zijn zo groot dat Peru de gehele markt van vismeel beheerst.

8. - MENHADEN.

De menhaden (Breevoortia tyrannus), lijkt veel op de fint, is kenbaar aan een zwarte vlek voor op de rug en daarachter enkele overlangse rijen zwartte stippen.
Komt in grote hoeveelheden voor langs de oostkust van de Verenigde Staten en Mexico en wordt daar gevangen voor de verwerking tot traan en vismeel.



9. - TARPON.

De tarpon (Tarpon atlanticus), is de grootste van de haringfamilie, kenbaar aan de draadvormig uitgegroeide achterste straal van de rugvin.
De onderkaak is naar boven gericht. De tot 5 cm grote en harde schubben worden wel tot snuisterijen verwerkt. De tarpon kan wel 250 cm lang en 140 kilo zwaar worden. Hij komt talrijk voor in de westelijke Atlantische Oceaan van het zuiden van de Verenigde Staten tot Brazilië. Soms dringt de vis tot 100 kilometer de monden van grote rivieren binnen. Hij is vooral belangrijk voor de sportvisserij; aan de haak geslagen kan hij tot 3 meter boven water springen.  

KAKEN.

Haringkaken zou in de 14e eeuw bedacht en toegepast zijn door Willem Beukelszoon uit Biervliet.
Het werd ook toegeschreven aan Jacob Kien uit Oostende.
Kaken is het bij de haring verwijderen van de onderkaak, belangrijkste bloedvaten en het voorste deel van de darm; vervolgens het pakken van de haring met zout in vaten.
De alvleesklier laat men zitten, daar deze de haring nog zou 'rijpen'. Verteringssappen uit het niet verwijderde deel van de darm en darmaanhangselen werken op het vlees in en maken dit mals.
Het woord is waarschijnlijk van Vlaamse oorsprong en afgeleid van het Franse woord caque, vat. Voor kaken is namelijk een vat nodig, terwijl voordien haring ook veel in korven gezouten werd. 



Vervolg; HARING, KAKEN EN VANGST. WAT EN HOE? DE HARINGVANGST (DEEL-2).

donderdag 25 juni 2015

JACOBSTAF. WAT IS DAT?


DE OPVOLGER VAN HET ASTROLABIUM.




De jacobstaf, ook graadstok of graadboog, is een primitief instrument dat vroeger bij de zeevaart werd gebruikt om hoeken te meten, zoals de hoogte van een hemellichaam ten behoeve van de plaatsbepaling van het schip op zee.

De jacobstaf werd voor het eerst beschreven door de mathematicus Levi Benn Gersjom (Léon de Baguels Gersonides , 1288 - 1344.)



Sedert de 15e eeuw op schepen in gebruik, maar eerst in 1537 voor nautische gebruik beschreven door Pedro Nuñez.
De jacobstaf bestaat uit een lange regel van vierkante doorsnede, voorzien van een schaalverdeling voor ieder van de drie, later vier dwarslatten van verschillende lengte, die over de regel konden worden verschoven.
In de praktijk gebruikte men slechts één dwarslat voor het uitvoeren van een hoeksmeting van respectievelijk minder dan 30° ,60° of 90°.
De waarnemer houdt de staf met het uiteinde tegen het oog en verschuift de dwarslat tot de onderkant samenvalt met de horizon, de bovenkant met het gepeilde hemellichaam.
De gemetenhoek wordt aangeduid op de schaal op het snijpunt van staf en dwarslat.
Gemma Frisius stelde in 1545 verbeteringen aan het instrument voor.
In 1659 werd de methode beschreven voor het doen van waarnemingen met de zon in de rug zoals reeds gebeurde met de Davidskwadrant, die de jacobstaf heeft verdrongen, al bleef deze in gebruik tot het begin van de 19e eeuw.

dinsdag 23 juni 2015

ASTROLABIUM. WAT IS DAT?


BARTOLOMEU DIAZ GEBRUIKTE REEDS

DIT INSTRUMENT.



( Het zeeastrolabium in gebruik.)

Een astrolabium is een sterrenkundig instrument dat vroeger in de zeevaart werd gebruikt voor namelijk voor hoogte metingen van hemellichamen.






ASTRONOMISCH ASTROLABIUM.

( Astronomisch astrolabium anno 1551.)

Het is meestal een circelvormig koperen instrument (planisferisch) dat met behulp van gegraveerde schalen en schijven vele sterrenkundige gegevens kon verstrekken.
De herkomst van het astronomische astrolabium in niet bekend doch wordt wel toegeschreven aan Hipparchus (190-125 v.Chr.)
Het instrument bevatte aan een zijde een astronomische kalender en aan de andere zijd losse schijven of tympanen ter bepaling van de positie van sterren met als argumenten geografische breedte en tijd.
Het had bovendien een draaibare alidade met vizier voor hoogte meting. Het combineerde daarmede de functies van de moderne astronomische of nautische almanak, de tegenwoordige planisferische 'starindentifier', de sextant en azimuttafel. Het kon tevens dienen als ruw astrokompas of als zonnewijzer en bevatte een tabel voor verhoudingen tussen lineaire hoogte en afstand bij verschillende waarnemingshoeken. Met het astronomisch astrolabium konden 41 berekeningen worden uitgevoerd.


ZEE-ASTROLABIUM.

( Zeeastrolabium uit de 16e eeuw.)

Het werd in Spanje en Portugal ontwikkeld uit het astronomisch astrolabium en sedert 1481 op zee gebruikt voornamelijk op advies van Martin Behaim, Duits zeevaartkundige en globemaker die Portugese zeevaarders onderwees.
Het zee-astrolabium bestaat uit een zware koperenring met 4 speken (minder windvang), as en alidade met schaduw vizier. Het instrument is slechts bestemd voor meten van zonhoogte (hoek) bij meridiaansdoorgang (middag), waaruit de geografische breedte kan worden bepaald.
Voor poolsterhoogte bleef men aanvankelijk het kwadrant gebruiken. Vooral bij grote zonhoogten (lage breedte) was het astrolabium beter. 
De Portugese astrolabia werden voor topafstand gemerkt, de Spaanse meestal voor de hoogte.
Redelijk zuivere waarnemingen bleken alleen mogelijk bij vlakke zee of vanaf de wal. Omstreeks het midden van de 17e eeuw werd het zee-astrolabium verdrongen door de jakobstaf.



( Zie: JACOBSTAF. WAT IS DAT?)

BARTOLOMEU DIAS. WIE WAS HIJ?


HIJ RONDE ALS EERSTE KAAP DE 

GOEDE HOOP.




Bartolomeu Dias leefde van 1450 tot 1500. Hij was een Portugees zeevaarder en ontdekker van Kaap de Goede Hoop in 1488.




Er zijn in die periode in Portugal verschillende navigateurs Dias geweest. Volgens een kleinzoon van Bartolomeu, gouverneur van Angola, rond 1571, was hun juiste familienaam 'Dias de Novais'.
Bartolomeu Dias werd door koning Joâo II als ontdekker gekozen na de laatste tocht van Diogo Câo.
Diaz zeilde in eugustus 1487 uit de Taag bij Lissabon, met drie caravelas van elk 50  ton.
Hij voer verder langs de kust van Afrika dan zijn voorganger Diogo Câo, die reeds Zaire (Congo) bezocht en ongeveer de 22 graden zuiderbreedte bereikt had.

Te Angra das Voltas ( Lüderitzbaai) liet Bartolomeu een voorraadschip achter onder commando van zijn broer Diogo Dias. Vanwege de stormachtige zuidoost passaat verliet Bartolomeu op ongeveer 28 graden zuiderbreedte de kust en stuurde zuidwest.
Toen hij voldoende zuiderbreedte had bereikt, ging hij oost sturen en zeilde hij voor de westen winden uit. Daar hij geen land land meer bezeilde in deze oostelijke richting hield hij uiteindelijk noord aan en bereikte toen Zuid-Afrika ten oosten van Kaap de Goede Hoop.


Hij bezocht Sâo Braz (Mosselbaai) op 22 graden oosterlengte, Angra da Roca (Algoabaai en Port Elizabeth) en plaatste een 'padrâo' een stenen pilaar met merkteken op Ilheú da Cruz (False eiland).
Vervolgens bereikte hij de Great Fish River op 33 graden zuiderbreedte-27 graden oosterlengte.
De kust liep daarna in noordoostelijke richting en Dias had goede hoop aldus naar Indië, het lang gezochte specerijen land, te kunnen zeilen.
Zijn bemanning dwong hem uiteindelijk terug te keren, daar er ernstig scheurbuik aan boord heerste en er reeds sterfgevallen waren geweest door deze ziekte. Ook was het tuigage zwaar gehavend en moest er constant gepompt worden om het schip droog te houden.


Op de thuisreis volgde hij de kustlijn van Afrika en ontdekte Ponta de S.Brandâo (Kaap Agulhas) en de stormkaap. Thuisgekomen in Portugal veranderde koning Joâo II deze naam Cabo Tormentoso in Cabo da Bôa Esperança.
Te Agra das Voltas pikte Bartolomeu het voorraadschip op, dat nog slechts enkele overlevenden aan boord had. (24 juli 1488) 
De verdere thuisreis onderbrak hij te Elmina (São Jorge da Mina), reeds een Portugese kolonie plus fort aan de Goudkust. In december 1488 keerde hij terug in Lissabon.
Op deze reis gebruikte Bartolomeu aan land een astrolabium om de hoogte te meten van de poolster of van de zon in de meridiaan, teneinde aldus de aardse breedte te bepalen.
De zee was zijn leven en werd zijn dood. Hij verging later met zijn schip in een zware storm ten oosten van Kaap de Goede Hoop toen hij in 1500 mee zeilde met de vloot van Cabral.
Zijn kennis heeft er toe bijgedragen voor de verdere ontdekkingsreizen naar het Verre Oosten via Kaap de Goede Hoop.




                                          (Capo da Bôa Esperaça of Kaap de Goede Hoop.)

(Zie vervolg: Astrolabium. Wat is dat?)

vrijdag 19 juni 2015

BARINHO. WAT IS DAT?


TRAAG BEVOEREN ZE DE ONDIEPE

TAAG.




De barinho ook wel barino genoemd was een Portugees vracht- en vissersschip van rivier de Taag.



Het is een slank vaartuig met een vlakke bodem, hoekige kimmen en een openvallend boord, scherp voor en achter, met gebogen stevens die met de uiteinden hoog boven het boord uitsteken.
Het vaartuig heeft een matige zeeg alhoewel een hoge kop.
Het vrijboord kan door middel van een zetboord verhoogd worden. De romp is voor en achter gedekt, open in het midden.
In dit ruim bevinden zich een zware mastbank en uitneembare doften (ten hoogste 15).
De mast valt sterk naar achteren en voert een latijnzeil dat meestal rood of geel getaand is.
Tijdens het zeilen wordt een los zijzwaard gebruikt. Het vaartuig heeft een zwaar roer met lange hak dat door middel van een juk en takels bediend wordt. De barinho's waren zeer vrolijk beschilderd.
Afmetingen: lengte 20 meter; breedte 3,8 meter en holte 1,10 meter.

Deze scheepjes vervoerden lading vanuit de zeehaven van Lissabon verder de rivier op, welke voor schepen met een grote diepgang niet bevaarbaar is vanwege de vele zandbanken en ondiepten.
Door de opkomst van het gemotoriseerde vervoer over de weg en de bouw van diverse bruggen over de Taag raakte het gebruik van deze scheepjes uit de tijd.